
De bevolking van ons dorp is tweeërlei. De veenarbeiders vormen
het kenmerkende, de landbouwers echter het voornaamste deel van ons dorp.
Wij willen terstond opmerken, dat er vermoedelijk in onze geheele provincie
geen dorp is, waar minder verschil van stand is te bespeuren. Landbouwers
en arbeiders leven als gelijken, in de lange winter- avonden gaan zij naar
elkander op visite en de mindere man doet daarbij zijn best om den meerdere
zoo goed mogelijk te onthalen. Want een karaktertrek van de Zevenhuisters
is, dat zij gastvrij zijn en gul. Buiten de veenarbeiders en landbouwers
heeft Zevenhuizen eenige winkeliers, ambachtslieden en nog enkele verveners.
Want Zevenhuizen is eene Veenkolonie. Naarmate het veen afgegraven werd,
is van den overblijvenden grond bouw- en weideland gemaakt, meest bouwland;
want uit den aard der zaak zijn de hooge diluviale gronden minder geschikt
voor grasland. Toch liggen hier en daar in de laagste streken, b.v. aan
de Jonkersvaart, Tetswijk en elders uitmuntende graslanden.
Als Veenkolonie kan Zevenhuizen echter in de verste verte niet op eene
lijn staan met Stadskanaal, Wildervank, Veendam of Pekela, ofschoon de
bodem hier, volgens lieden, die het kunnen weten, in goede hoedanigheden
bij genoemde streken niet behoeft ten achteren te staan. Terwijl men daar
dadelijk met een regelmatigen aanleg is begonnen en een hoofdkanaal heeft,
waarop alle andere kanalen uitloopen, is de aanleg van Zevenhuizen zeer
onregelmatig en vertoont een chaos van `wijken' (vaarten of kanalen). Bij
het aanleggen is men met groote slordigheid te werk gegaan. Men groef eenvoudig
de `splitting' en kruide den grond op het omliggende veen. Zoodoende vindt
men dan ook nog heden overal onder die oude wallen langs de wijken turf.
Zelfs het turfgraven is niet
met de noodige zuinigheid geschied, men nam maar gauw het beste weg,
zonder zich veel om de rest te bekommeren; zoodat in latere jaren nog veel
is nageveend. Te Boven-Zevenhuizen moet de toestand vroeger zeer bijzonder
geweest zijn. Voor dat de Haspelwijk werd gegraven, had men in dat bovengedeelte
kleine wijken gemaakt, die in de richting van de tegenwoordige Oude Streek
liepen; waar zij in den zoogenaamden waterloop uitkwamen. Daar werd ongeveer
op de hoogte van het tegenwoordige Schoolpad het water opgekeerd. De waterstand
was veel hooger dan thans en de bovenste sluis in het Hoofddiep moet veel
meer water gekeerd hebben dan later. Toen de Haspelwijk gegraven werd,
werd het water zooveel verlaagd, dat de oude wijkjes droog liepen en tegenwoordig
de bodem er van we1 een Meter hooger ligt dan de waterspiegel van genoemdevaart.
Oude menschen kunnen zich dien toestand nog herinneren en spreken van schepen,
die boven op het veen voeren. Zoo zal het wel geleken hebben! Merkwaardig
is de bocht, die het Hoofddiep maakt bij de Kromme Kolk. Door eene of andere
omstandigheid schijnt men genoodzaakt te zijn geweest hier van richting
te veranderen. Zeker is dit niet vrijwillig geschied; want men moest toen
door eene zandhoogte graven; terwijl men rechtuitgaande eene laagte had
kunnen volgen. Later werd de Veldstreekster wijk of het zoogenaamde
Mandeelig Hoofddiep weer in de richting van het verlengde van het oude
Hoofddiep benoorden de Kromme Kolk gegraven. Aan alle `wijken' zijn huizen
gebouwd; waaruit volgt, dat de bevolking zeer verspreid is. In vergelijking
echter met andere streken van de gemeente Leek is Zevenhuizen vrij dicht
bevolkt want terwijl het in grootte ongeveer 1/5 gedeelte der gemeente
is, bedraagt het zielental 2/5. Het moet onze verbazing wekken, dat Zevenhuizen
nog heeft kunnen worden, wat het is. Want het kapitaal, dat de veenderijen
opgebracht hebben, is wel het minst aan Zevenhuizen ten goede gekomen.
Oorspronkelijk toch kwamen de venen uit de handen van Nienoord en Ter Heijl
in het bezit van verschillende verveners. Deze meenden, dat het in hun
belang was, eerst de turf af te graven, om dan later den ondergrond voor
veel geld te verkoopen. Maar deze berekening faalde; want toen eindelijk
de turf voor het grootste gedeelte weg was, waren er geene koopers voor
den bodem. Alzoo ging het kapitaal voor Zevenhuizen verloren en ontbrak
het geld voor ontginning van gronden. De vervenerswerden rijk ten koste
van Zevenhuizen en wat meer is: zij gingen buiten het dorp wonen, meestal
te Leek; zoodat deze plaats dan ook van de afgraving van de venen het meest
heeft geprofiteerd. Een ander gedeelte van het kapitaal kwam in 's Rijks
schatkist in den vorm van turfbelasting. Zoo kwam het dan, dat men bij
de ontginning, of zich zelf moest helpen, of het geld van buiten moest
komen. Beide dingen zijn geschied. Met taaie volharding legde veenarbeider
zich op de ontginning van het stuk heideveld, dat hij of in eigendom, of
in vaste huur had weten te verkrijgen, toe en maakte zoo uit niets iets;
maar dit ging natuurlijk uitermate langzaam. Wel waren er enkele verveners,
die zich met kracht op ontginning toelegden; maar het was zelfs voor hen
met de kapitalen, die zij bezaten, niet mogelijk de groote uitgestrektheid
veengrond in cultuur te brengen. Van buiten moest dus de meeste hulp komen.
Voor en na hebben zich uit verschillende streken van onze provincie landbouwers
in Ons Dorp neergezet. Velen zal dit niet berouwd hebben. De malaise, die
elders den boerenstand heeft gedrukt, hebben wij hier niet gekend; want
het 1even is hier eenvoudig en men kon betrekkelijk spoedig in de behoeften
voorzien. Zoo bestaat de bevolking van ons dorp dan ook uit twee elementen,
n.l. uit de oude bewoners en uit hen die zich hier later gevestigd hebben.
In karakter, taal en leefwijze is nog heden dit verschil goed op te merken.
Zevenhuizen is een dorp met veel natuurschoon en - hoewel het in den Winter
kaal en eentonig is even als zoo vele andere dorpen - behoort het in den
Zomer tot de fraaistestreken van het Zuidelijk Westerkwartier.
Wij denken ons 20 a 25 jaar terug. Zevenhuizen werd toen wel `de Buitenwereld'
genoemd. En daar was veel van aan. Het was met De Leek, de hoofdplaats
der gemeente, verbonden door een slechten zandweg; die, slecht onderhouden,
in den Winter op een' modderpoel geleek, zoodat zelfs de wagens soms vastraakten
en de goederen moesten afgeladen worden in den modder of op het zandpad
natuurlijk om weer los te komen, inden Zomer een stofboel. Jaren hebben
de Zevenhuisters gestreden voor het verharden van dien zandweg, bijna een
geheel geslacht is er over heen geleefd, en de oude Provinciale Groninger
Courant bevat daarover zoovele ingezonden stukken, dat zij, aaneengehecht,
wel den geheelen weg naar De Leek konden bedekken. Het verharden van dezen
weg is voor Zevenhuizen eene levenskwestie geweest en er zou eene zeer
interessante geschiedenis over te schrijven zijn. Eindelijk kreeg de zaak
haar beslag en werd de weg door de Gemeente gelegd met 50 pCt. subsidie
van de Provinciale Staten. Op den 12 Aug. 1893 werd hij plechtig ingewijd.
Toch is de ligging van Ons Dorp nog al geisoleerd. Naar Haulerwijk bestaat
nog altijd de oude zandweg, die naar wij hopen, daar door de Provincie
een belangrijk subsidie is verleend, eerlang in een' kunstweg zal veranderd
worden; Marum en De Wilp zijn alleen langs omwegen - en nog wel zeer slechte
- te bereiken, de Drentsche plaatsen Roden en Een genieten de eer van een
`beunspoor', den primitiefsten weg, dien men bedenken kan. Ondertusschen
waren de bewoners van Zevenhuizen mannen van `Selfhelp'. Gebruik makende
van het vrij goede scheepvaartkanaal, werd er reeds voor,jaren een stoomboot-
dienst op Groningen aangelegd, vice versa, welk veer, getuige de massa's
goederen en passagiers, die er mede vervoerd werden, in eene langgevoelde
behoefte voorzag. Langs den straks genoemden zand- en modderweg liep vroeger
een voetpad. In den Herfst werd dit hersteld en met wit zand bestrooid,
zoo bleef het den geheelen Winter vrij goed begaanbaar. Nog heden vindt
men in de meeste deelen van Zevenhuizen dergelijke voetpaden, die met zorg
worden onderhouden. Waar deze paden over de wijken gaan, zijn door de zorg
van het Gemeentebestuur in de laatste jaren goede draaivonders met leuningen
gelegd. Vroeger evenwel lieten deze vrij wat te wenschen over en het mag
wel een wonder genoemd worden, dat er in den goeden ouden tijd zoo weinig
ongelukken bij deze vaak zoo gebrekkige bruggetjes zijn gebeurd, daar er
nergens lantaarns waren ge- plaatst. Dit in aanmerking nemende, moet geconstateerd
worden, dat het gezicht van de Zevenhuisters goed is ontwikkeld. Het voomaamste
vaarwater is het Hoofddiep. Sedert jaren staat het door een flink kanaal,
de Jonkersvaart, in verbinding met de Friesche wateren. Vroeger was dit
zoo niet, en vond men even voorbij de plaats, waar in het afgeloopene jaar
de nieuwe sluis is gelegd, een dam. Het is wel jammer, dat de Jonkersvaart
slechts zijdelings langs Zevenhuizen loopt. Het grootste deel van het dorp
heeft zoodoende van dit vaarwater niet veel. Wat de veenwijken betreft,
deze beginnen meer en meer te vervallen, hoewel sommige, zooals de Oost-Indische
wijk, de Kokswijk en het Mandeelige Hoofddiep (d.i. de Veldstreekster wijk)
voor enkele jaren op eigen kosten door de Landbouwers verbeterd en uitgediept
zijn, ten behoeve van den af- en aanvoer voor den landbouw. De waterstand
wordt geregeld door het Gemeentebestuur, dat hiervoor met lofwaardigen
ijver zorgt, en zoodoende aan het Waterschap Westerkwartier een werk uit
de handen neemt. Vroeger, toen de kanalen zich zelf nog niet konden voeden,
werd in den Zomer het water in onze vaarten opgemalen door drie windwatermolens,
welke gebouwd waren aan het zoogenaamde Molenkanaal, dat even boven het
Bovenste verlaat in het Hoofddiep uitkwam. Maar toen in 1868 de Middelste
molen door den bliksem werd in brand gestoken en bij die gelegenheid tot
den grond afbrandde, Iiet men de andere molens vervallen, die nu al spoedig
geheel op ruine's geleken. Velen zullen zich b.v. nog den ouden watermolen
herinneren achter de huizen te Leek, die jaren als een fraai schilderstuk
heeft gestaan zonder wieken. Nu wij toch over deze zaak spreken, willen
wij ter loops opmerken, .dat deze watermolens eene rol hebben gespeeld
in het leggen van den kunstweg. De zaak was zoo. De veeneigenaren konden
eischen, dat de molens weder in gang werden gebracht; maar dit was nu juist
niet zoo bepaald noodig, daar de kanalen te Zevenhuizen, sedert zij met
het Friesche water in verbinding stonden, zich vrij wel konden voeden en
het Gemeentebestuur wilde het ook liever niet. In eene vergadering van
veeneigenaren en grondbezitters te Zevenhuizen gehouden, werd daarom besloten
eene verklaring af te geven aan het Gemeentebestuur, dat men niet verlangde
de molens herbouwd te zien, indien de Gemeente den zoo zeer begeerden kunstweg
wilde doen opmeten en daarvan
bestek en begrooting wilde doen opmaken. Men hoopte namelijk, dat als
men hiertoe overging, men ook zou besluiten tot het leggen van den weg,
daar aan deze opname enz. toch betrekkelijk vrij aanzienlijke kosten verbonden
waren. Maar de Zevenhuisters verheugden zich met eene doode musch. De weg
werd opgemeten, in kaart gebracht etc.; maar verder kwam de zaak niet.
Voor 30, 40 jaren gold eene reis van Zevenhuizen naar Groningen als een
waagstuk van belang en nog heden zijn er in Ons Dorp ouden van dagen te
vinden, die de goede oude stad nooit hebben gezien. In de jonge jaren van
deze Zevenhuisters was het Leeksterschip, beter bekend als de `Leeksterbol',
het eenige algemeene middel van verkeer met Groningen. Het voer vijf dagen
in de week (Donderdags en Zondags niet) des morgens om zeven uur van De
Leek naar Groningen en om drie uur van Groningen weer terug. Nu behoeven
wij niet te zeggen, dat er b.v. in den Winter bij donkere maan en den slechten
weg in aanmerking genomen, eene goede hoeveelheid moed, wilskracht of wel
noodzakelijkheid aanwezig moest zijn om reeds des morgens om 7 uur op De
Leek aanwezig te wezen. Het oudere geslacht denkt nog met schrik aan die
reizen; wanneer bij storm- en onweersvlagen of bij tegenwind over het onstuimige
Leekstermeer moest gelaveerd worden, ja; wanneer er zelfs somtijds gevaar
van schipbreuk beston, gelijk in den beruchten `Pinksterstorm' op den l8den
Mei 1860 met de zoogenaamde `wonnen vracht'1. Het getal reizigers was doorgaans
gering;10 man was veel. En thans - als men des Dinsdag's morgens tusschen
6 en 7 het dorp Leek bezoekt, kan men zien, welk een enorm aantal marktbezoekers
onze streken aan Groningen levert. Men vraagt zich onwillekeurig af, hoe
heeft men zich vroeger wel gered?
1 De `wonnen vracht' was de beurt van het Leeksterschip
van Groningen naar de Leek op Pinkster-Zondag, ter gelegenheid van de kermis
aldaar. Bij genoemde gelegenheid stormde het zoo hevig, dat verscheidene
passagiers zeeziek werden. Niemand mocht zich tijdens de vaart op het Meer,
toen er gelaveerd werd, op het dek vertoonen. Alles werd gesloten, alleen
de kapitein en de knechts bleven op het dek. De beradigde kapitein kwam
echter alle bezwaren te boven en zette omstreeks den middag de kermisgangers
te Leek behouden aan wal, onder toeloop van eene goote massa volks; waarvan
enkelen meenden, dat zij het schip hadden zien verongelukken.
Het jaar 1834 staat men eene zwarte kool aangeteekend in de geschiedenis van Zevenhuizen. Het was in den voormiddag van Dinsdag den llden Juni. Geheel de arbeidende bevolking ten getale van een paar duizend man was druk in de weer. Hier was men aan het turfgraven, daar aan het afschepen, elders aan het veenbranden. Plotseling kwam er omstreeks den middag eene donderbui op, vergezeld van een hevigen wind zonder regen en in korten tijd verspreidde het vuur van de brandende perceelen zich en zette alles in vlam. Reeds om half drie hadden de vlammen, aangeblazen door een waren orkaan, zulk eene uitbreiding gekregen, dat aan blusschen niet meer te denken viel en ieder, met wat hij nog redden kon, zijn heil in de vlucht zocht. Want niet alleen het veen geraakte in brand; maar ook de reeds ter vervoer gereed staande turfhoopen, benevens alle huizen, struiken en boomen, die het brandende element op zijn weg ontmoette. Het moet een vreeselijk schouwspel geweest zijn die duizenden turfhoopen in eene vuurzee te zien verdwijnen, daartusschen de vluchtende arbeiders, hun gereedschap in den steek latende. Hier zag men een schip in vlammen opgaan, daar een ander met volle zeilen gelukkig het gevaar ontsnappen, hier vernielde het vurige element in een oogenblik eene rij turfpramen, ginds verdween in rook een groepje bij eenstaande woningen van nijvere veenarbeiders. Tegen den avond kwam de brandspuit van De Leek en weldra arriveerden nog vier uit Groningen maar ze konden tegen de vuurzee niets uitrichten. Zoo bracht men een treurigen nacht door steeds strijdende tegen den laaien gloed. Den volgenden morgen was de brand genaderd tot de Kromme Kolk, altijd nog aangeblazen door een stevigen Zuid- wester. Reeds begon men te vreezen voor de dorpen De Leek en Tolbert en menigeen pakte zijne kostbaarste zaken bijeen. De hitte was vreeselijk en het water dientengevolge zoo warm, dat de visschen dood op de oppervlakte dreven. Omstreeks den middag geraakte de Bovenste watermolen in brand. Maar de vlammen werden gelukkig gebluscht door een aantal meisjes van De Leek, die te Zevenhuizen gekomen waren om eens naar den veenbrand te zien. Het behoud van dezen molen was van het hoogste belang. Was hij opgebrand, dan zou Zevenhuizen den geheelen zomer van water verstoken zijn geweest, aangezien de veenkanalen toen nog niet, zooals thans, in staat waren zich zelf te voeden. De meisjeg verrichten derhalve een waar heldenfeit. Tusschen 4 en 5 uur ging de wind liggen en begon het te regenen; zoodat men tegen den avond het vuur bijna overal meester werd. Op vele plaatsen echter smeulde het nog dagen aaneen voort en brandde diepe gaten in den lossen veenbodem. De Drentsche kant van Zevenhuizen bleef gelukkig gespaardl. De schade was verschrikkelijk. Aan turf alleen was er voor ongeveer een ton gouds opgebrand. Alle veengereedschappen tot kruiwagens, planken en pramen toe, waren door het vuur vernield, benevens 72 woningen met al het huisraad, 5 schepen2 en eene menigte te veld staande vruchten. Het mag wel een wonder heeten, dat slechts een persoon bij dit alles het leven verloor. Het was een schipper, die in een stuk rogge vluchtte; maar daar door't vuur werd achterhaald en verbrandde. Vele personen overviel de brand zoo plotseling, dat zij hem niet ontvluchten konden; maar in greppels wegkruipende, het vuur letterlijk over zich heen moesten laten gaan. Verscheidene van deze personen waren met zware brandwonden bedekt. Heel ouden van dagen spreken nog altijd met schrik en ontzetting van het jaar van den veenbrand, zij weten u wonderen van moed en zelfopoffering mede te deelen en wij gelooven hen gaarne; want het moet inderdaad geweest zijn, of de elementen gezworen hadden Zevenhuizen van den aardbodem te zullen verdelgen. Twee duizend arbeiders waren zonder werk, de meesten van hen zonder woning, zonder voedsel of kleeding, bij-na allen hadden hunne gereedschappen verloren! Maar er kwam spoedig hulp opdagen. Reeds hadden bij het blusschen van den brand bijna alle mannen van De Leek en Tolbert hulp en bijstand verleend en wij hebben gezien zelfs de vrouwen. Thans voorzagen ook de ingezetenen van beide dorpen in de eerste be-hoeften. Maar zij konden niet alles en dat was ook niet te eischen.
1 Het vuur werd gedeeltelijk gekeerd voor de
Oost-Indische wijk; toen het stil begon te worden.
2 In de 'wijk' voor de woning van Mart. Conraads in
Oude-Wijk moet nog het vlak liggen van een der verbrande schepen.
Er vormde zich derhalve eene commissie van onderstand, bestaande uit de heeren Leuringh, Wichers, ds. Meijer, Reijntjes en eenige anderen. Zij deed een beroep op den liefdadigheidszin van het Nederlandsche volk tot lening van de ramp. Er werd veel gegeven. In zeer korten tijd kon de Commissie beschikken over de kapitale som van tweemaal honderd duizend gulden. Daarenboven werden levensmiddelen, kleederen, dekens, in een woord van allerlei dingen in ruime hoeveelheid van alle zijden toegezonden. Waar echter tweeduizend menschen, waaronder tal van huisvaders van de openbare liefdadigheid moeten leven, is twee ton natuurlijk een droppel water in een emmer. De Commissie had dus, zooals het meestal in zulke gevallen gaat, aan hare taak niet te veel. Men begreep zeer goed, dat voor alles de arbeiders weer aan het werk moesten. De verveners begonnen dus, zoodra de nieuwe gereedschappen gereed waren, opnieuw turf te graven. Vervolgens trachtte de Commissie zoo goed mogelijk de geleden schade te vergoeden. A1 de 72 woningen werden weder opgebouwd en daar men beter materiaal gebruikte dan dat; waarvan de oude huizen waren opgetrokken, zagen de nieuwe gebouwen er recht geriefelijk uit. Menig veenarbeider verkreeg voor zijne keet veel beter woning terug. Ieder, die kon aantoonen, dat aan zijn huis steenen geweest waren, werd daarvoor een geheel steenen gebouw in de plaats gezet. Ook zorgde de Commissie voor huisraadl, beddegoed en kleeren, zoodat men mag aannemen, dat menig arbeider, nadat hij op nieuw behoorlijk gestoffeerd was, vrij wat voordeel van den brand had; want de geleden schade aan huishoudelijke artikelen moest maar op luk en raak, of volgens eigene opgaaf getaxeerd worden. De Commissie – en dit moet tot hare eer gezegd worden - was op dit punt niet schriel. De verveners waren er minder aan toe. Evenwel, zij konden de schade natuurlijk het beste dragen en daar men meende, dat de gelden, enz. eigenlijk ook alleen voor de veenarbeiders gegeven waren, kende men aan de groote veenbazen slechts 10 pCt. schadevergoeding toe, de kleinere kregen 50 pCt. De drie schippers, wier schepen verbrand waren, kregen nieuwe vaartuigen met compleeten inventaris. Door de verbazende veerkracht, die de Commissie aan den dag legde, was tegen den Winter bijna alles in orde en gingen de zaken te Zevenhuizen den ouden gang, alsof er geen veenbrand geweest was. Toen men ten slotte de rekening ging opmaken, bleek er een batig saldo te zijn van f 5400. De Commissie besloot deze gelden zoo winstgevend mogelijk te maken en opdat daarvan tevens dadelijk nog een goed deel aan de Zevenhuister veenarbeiders als werkloon ten goede zou komen, werd een groot stuk heideveld (plm. 40 H.A.) aangekocht, omgespit en met dennen beplant. Zoo dacht men met verloop van tijd in het bezit te geraken van een groot dennenbosch. De nieuwe aanplanting werd `Neerlandsch bosch' genaamd, maar de Zevenhuisters vonden deze benaming zeker minder gepast en betitelden den aanleg met `Commissiebosch'. Wie thans echter Zevenhuizen bezoekt en het Commissiebosch wenscht te zien, zal in zijne verwachtingen bitter te leur gesteld worden. Want het is met de aanplanting treurig afgeloopen, slechts een klein restantje kreupeldennen, ongeschikt voor eenig ding, wijst de plaats aan, waar men een trotsch bosch denkt te vinden. De bodem scheen voor houtcultuur minder geschikt, ook schijnt de vrij dikke oerlaag, die in den grond zat, niet voldoende te zijn losgebroken. Daarenboven is een groot deel van de jonge dennen door brand venield. Op een paar plaatsen in het Commissie-bosch is men thans met gunstig gevolg bezig den bodem te ontginnen. Voor eene herhaling van de catastrophe van 1834 behoeft men thans te Zevenhuizen niet bezorgd te zijn; want de turfgraverij is geheel afgeloopen, ja, het tijdstip is niet zoo bijzonder verre meer, dat er brandstof te Zevenhuizen moet aangevoerd worden. Bovendien houdt ons Gemeentebestuur een streng toezicht op het veen- en heidebranden, het staat dit alleen toe; wanneer men daarbij de bijzondere bepalingen der daarop bedekking hebbende gemeenteverordening in acht neemt en bedreigt met boete of gevangenisstraf een ieder, die deze bepalingen ontduikt of die door boekweitlandbranden schade veroorzaakt aan te veld staande gewassen of aan gebouwen; terwijl hij verplicht is bovendien voor de aangerichte schade vergoeding te betalen. In het bebouwde gedeelte van ons dorp wordt hoogst zelden vergunning voor veenbranden verleend.
1 Hier en daar wordt nog huisraad uit dezen tijd als
antiquiteit en ter gedachtenis bewaard.
De Zomer is voor de ingezetenen van Zevenhuizen een tijd van drukte
en inspanning. Maar - wanneer de oogst is binnengebracht, de aardappelen
zijn gerooid en vervolgens de buitenwerkzaamheden zijn afgeloopen, breekt
een tijdvak aan van rust, uitspanningen en gezellige bijeenkomsten. Dan
beginnen even als in andere dorpen de Winteravondvisites. Deze visites
droegen vroeger den eigenaardigen titel van `groot-avondpraten' en in een
der volgende hoofdstukken zullen wij daarover het een en ander mededeelen.
Omdat wij van ouds in de `Buitenwereld', lees: `Buiten de Wereld' wonen,
zijn wij in den Winter vooral te beschouwen als de bewoners van het land
der Buitenste Duisternis. Daar in dit ondermaansche niets volmaakt is en
de lui hier zeer goed de onvolmaaktheden in hun dorp schijnen op te merken,
behoeft het niet gezegd te worden, dat er op de Winteravondvisites over
allerlei zaken geredeneerd wordt en dat Jan, Pieter en Paulus er meestal
nog al wat van langs krijgen; daar echter gelukkig die praatjes meestal
de ooren toch niet bereiken van hen, over wie ze gaan, stichten ze nog
niet zoo bijzonder veel kwaad, althans den schrijver dezes zijn nog geene
gevallen bekend dat er ongelukken door zijn ontstaan. Soms brengt een boeldag
of eene verkooping afwisseling in het eentonige winterleven. Wanneer zulk
eene belangrijke gebeurtenis plaats heeft, komen de Zevenhuisters van alle
kanten opdagen of ze gadingmakenden zijn of niet. Dit alles geldt echter
alleen voor de meer ouderen van dagen, het jongere geslacht weet wel iets
anders te vinden. Wij hebben hier onderscheidene malen eene zangschool
gehad en zelfs jaren aaneen eene rederijkerskamer, die over vrij goede
krachten kon beschikken; maar deze dingen zijn nooit tot grooten bloei
gekomen. Soms wordt hier in den Herfst wel eens eene harddraverij gehouden,
dit is echter meer eene uitspanning voor landbouwers; maar aan eene hardrijderij
op schaatsen doet oud en jong, rijk en arm mee. Over’t geheel vindt men
flinke rijders en rijderessen in Ons Dorp, die ook op vreemde plaatsen,
zelfs wel in Groningen met gelukkig gevolg om prijs en premie hebben gekampt.
Voor het jonkvolk zijn uitgangsdagen de Zondag voor Sint Nicolaas, de Tweede
Kerstdag of Sint Stefanus en de zondag het dichtst bij 22 Febr.l. Vooral
Si t Stefanus is een hoogst belangrijke uitgaansdag en het moet gezegd
worden, dat er door velen dan heel aardig `ge-Sunt Steffend' kan worden,
en dat er vroeger wel eens tafereelen voorvielen, die de goede Heilige
zeker niet zoo grif weg voor bijzonder heilig zou aanrekenen.De grootste
aantrekkingspunten voor de bewoners van Zevenhuizen zijn de jaarmarkten
in Ons Dorp en in de omliggende dorpen Roden, Tolbert, Marum, Norg en Nietap.
Maar de kroon spant de Pinkstermarkt te Leek. In vroegeren tijd waren er
tal van arbeiders, die bij hun veenbaas geregeld wekelijks eenige stuivers
lieten staan, om zoodoende op de Pinksterkermis voldoend of zelfs ruim
zakgeld te hebben. Is de Zevenhuister veenarbeider uit den aard der zaak
zuinig, op de Pinkstermarkt ziet hij niet op een dubbeltje. Dan haalt hij
zijn hart op in de `hokken'z en weet nog jaren later met enthusiasme te
spreken van de kunsten, die hij zag vertoonen, of van het `guchelspul'3;
waarvan hij geen hoogte kan krijgen en staat terecht verbaasd over de velerlei
wijzen, waarop de menschen aan den kost komen. Des middags en des avonds
op Pinkstermaandag; want dat is de kermisdag bij uitnemendheid, werd er
vroeger op het Hoogehuis4 duchtig geklonken en gedronken en ten slotte
ook stellig altijd gevochten; maar in den loop der jaren is dit laatste
langzamerhand van het programma verdwenen. Er was vroeger echter eerst
leven in de brouwerij; wanneer de paren voor de fioel5 stonden en de Zevenhuister
dans gedanst werd. De Zevenhuister dans is merkwaardig, hij kan alleen
door echte outle Zevenhuisters gedanst worden en ik zet het den knapsten
`professeur de danse' in zessen al de onmogelijke passen op het eerste
gezicht met den noodigen zwier na te doen. Het jongere geslacht kan die
danspassen niet goed meer maken, daarbij deugt de muziek gewoonlijk ook
niet, redenen, die den Zevenhuister dans uit de mode doen geraken. Hij
is evenwel merkwaardig genoeg en het zou waarlijk jammer wezen, dat deze
merkwaardige volksdans, even als zoo vele andere volkseigenaardigheden,
van het wereldtooneel ging verdwijnen. Daar is echter wel kans op.
1 Vroeger hield men ach op dezen laatsten dag
altijd bezig met katknuppelen; maar dit wreedaardig spel is sedert lang
door de autoriteiten verboden.
2 Kermistenten.
3 Goochelspel.
4 Thans bewoond door C. Hillebrands.
5 Viool.
Wij denken ons een 40tal jaren terug. Wanneer wij ons dan op Pinkstermaandag
naar Het Hoogehuis begeven, zien wij daar te midden van tabaksrook en jenever
een tafereel het penseel van Jan Steen of Ostade waardig. Aan den muur
op eene verhevenheid zetelen de muzikant-dansmeester met zijne viool, Jan
Randel, en diens vrouw Anke met eene tamboerijn. Jan Randel, beter bekend
onder den naam van Jan-Oom, is een persoon geheel eenig in zijne soort.
Hij is in een woord een origineel. Zonder hem is er geen leven in de brouwerij
en allerlei grappen, gezegden en aardigheden van hem leven nog in den mond
van het volk voort. Zoo betitelde hij de dansende paren steeds met `ronde
kerels en bazen van vrouwluu!' De jongelui scharen zich voor de danspartij
op het commando van Jan-Oom. Acht paren staan gereed; de jongens hebben
de petten af en de jassen uit. De muziek begint. Sommigen, die heelemaal
geen idee van muziek hadden, hebben Jan-Oom wel eens valschelijk beschuldigd
met de opmerking, dat hij nooit anders speelde dan
`Zeuven zieden spek is vierdehalf varken,
Vierdehalf varken is zeuven zieden spek!'
Maar wij mogen gerust aannemen, dat dit vuige laster is. Jan Randel
wist de meest mogelijke afwisseling in zijne dansmuziek te brengen, hij
had eene goede viool, die nog in wezen is en hij speelde daarop niet onverdienstelijk.
Als hij recht in zijn schik was, zong hij erbij op deze manier:
`En daar sprong een meid op krukken,
En zij brak haar been in stukken,
Falderalderire, falderalderare,
Falderalderire, fallala!'
of `En onze olle geitebok
Vrat al zien zeuven jongen op.
Falderalderire, falderalderare,
Falderalderire, fallala!'
De dans zelf is eene soort quadrille. Er komen onderscheidene passen
in voor - en zooals ik reeds heb opgemerkt - is hij nog zoo eenvoudig niet
en op 't eerste gezicht niet na te doen, zelfs niet door een geoefend danser.
Wanneer alles eens heel mooi ging en de dansers en danseressen flink `geoefend'
waren, knielden jongens en meisjes op een gegeven teeken vlak voor elkander
op de rechter knie en zongen met daarbij passende gebaren:
`Zoo steek ik mijn na-del-tie, (Beweging van draad
in de naald steken.)
Zoo steek ik mijn dra-del-tje, (Beweging van
naaien.)
Zoo sla ik de plug in 't gat. (Beweging van
koppen op eene schoenzool.)
Waarna allen opsprongen en de dans werd voortgezet. Maar deze variatie
kon lang niet ieder maken. Ook is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk
niet bij den dans behoorde maar later er tusschen is gevoegd. De uitvinder
van den Zevenhuister dans is ontegenzeggelijk geen Domoor geweest en ik
waag de gissing, dat Jan Randel aan het vaderschap niet geheel onschuldig
is, in allen gevalle heeft hij ter bevordering van deze dorpsdans wel zooveel
gedaan en er zooveel voor geijverd, dat zijn naam er ten allentijde door
vereeuwigd blijft bij de danslustige jongelui.Even als ieder ander geroutineerd
dansmeester wist Jan-Oom zeer goed de orde te handhaven onder de dansende
paren. Hij deed alles maar op zijn oud-Hollandsch af. Van Caualier-seul,
tour de-main of dergelijke uitdrukkingen wilde hij niets weten, hij riep:
jongens alleen, rondloopen, alle meisjes, enz. Met eenige flinke streken
op de viool en een paar krachtige slagen op de tamboerijn eindigde de muziek.
Jan-Oom riep: `rondo!' en sloeg daarbij met den sh-ijkstok op de achterzijde
van de viool. Dat wilde zeggen, dat ieder jonkman 5 cent moest betalen
aan den muzikant-balletmeester. Men begrijpt dus wel, dat zoo'n Pinkstermaandag
aan Jan-Oom geene windeieren lei. Met den dood van Jan-Oom was de fleur
weg. Na hem heben wel enkelen beproefd zijn beroep op te vatten; maar het
getal lui, die den Zevenhuister dans op eene viool of op eene harmonika
kunnen spelen, is uiterst gering, nog geringer het getal van hen, die den
dans goed kunnen leiden. Trouwens, zoo gaat het meer. De veldwinnende beschaving
en het toenemende verkeer bedreigen alle van oudsher bestaande volkseigenaardigheden
en trachten op alles een zooveel mogelijk gelijken stempel te drukken.
Tegenwoordig gaan de buren en vrienden in de lange winteravonden in
Ons Dorp naar elkander op `visite' en verschillen zulke winteravondvisites
niet van die in andere plaatsen. Maar vroeger was dat anders en spxak men
bescheidenlijk van `avondpraten'. Dat `avondpraten' was klein of groot.
Het Klein-avondpraten was een zeer gewoon iets. De man, het hoofd van het
gezin, ging omseeks een uur of zes naar zijn buurman of vriend. Daar besprak
hij onder het genot van een kop koffie met een `brug met kees' (boterham
met kaas) de merkwaardigste dorpsgeschiedenissen. Om 8 uur, als het te
huis etenstijd was, ging hij weer heen. Maar het `Groot-avondpraten' was
eene zaak van belang. December en Januari waren er den tijd van. Dan kwamen
man en vrouw te zamen. Dit avondpraten begon om 6 uur. Het huis, waar de
gasten verwacht werden, was reeds des namiddags zeer netjes in orde gebracht,
alles blonk en glom en de vloer was heel knapjes met fijn zand bestrooid.
Tegen den tijd, dat de Groot-avondpraters kwamen, had moeder de vrouw de
stoven reeds klaar gezet, stoven met groote testen vol vuur. Daar was men
toen, met vuur n.l., niet zuinig mee; want turf was er genoeg. Nadat men
behoorlijk plaats had genomen; de vrouwen boven de stoven en achter de
tafel, de mannen bij het vuur, want kachels waren er toen nog niet en de
huisheer in den hoek, werden de korte `smeugels' volgestopt en weldra was
het geheele vertrek in tabaks- rook gehuld. Het moet een echt huiselijk
tafereel geweest zijn, waarde lezer, stel u voor eene kamer, spaarzaam
verlicht door eene tuitlamp en een vuur van kienhout en turf zoo kolossaal,
alsof men een tweeden grooten veenbrand wilde maken, alles gehuld in een
nevel van rook. Het spreekt van zelf, dat er over veel en velerlei gesproken
werd, over dorpsnieuws, dat waar of niet waar gebeurd was, over de buren,
over de gebreken van anderen, over de turfgraverij, enz. Ja, was er soms
niet veel nieuws in het dorp, nu, dan geschiedde het ook wel, dat op dit
Groot-avondpraten gauw wat bij elkander gebabbeld werd om later voor `grif
waar' verder te worden verteld. Een ding was er vooral, dat steevast een
punt van de agenda uitmaakte. Dat was de discussie over heksen, spoken,
klopgeesten, plaagbeesten en voorloopen. Als ik het honderdste deel vertelde
van hetgeen op deze Grootavondpraterij van genoemde dingen werd opgehaald,
dan zouden de lezers de haren er van ten berge rijzen. Menigeen had waarlijk
soms de aller griezeligste dingen beleefd of gezien, of zich althans dat
verbeeld en enkele streken waren op dit punt zeer berucht. Zoo is het een
bekend feit, dat het vroeger bij de Kromme Kolk lang niet pluis was. Zelfs
hebben de spoken daar in zekeren nacht iemand, die op het zandpad wandelde,
maar zoo een, t.vee, drie zonder woord of wijs, over het Hoofddiep getransporteerd
naar de andere zijde; gelukkig zonder schade voor den wandelaar. Of men
wist met smaak te vertellen van een viertal guiten, die ergens op Diepswal
op zekeren avond eenige meisjes, welke uit `pieselen' (op visite) waren
geweest, eens geducht zouden doen schrikken en daartoe eene wipkar midden
op den weg zetten en hier op gingen zitten, elk met een wit hemd aan. Jammer
genoeg werden toen onze vier helden zelf zoo benauwd voor elkander, dat
zij ten.slotte hals over kop wegrenden; terwijl de meisjes later daar passeerende
er niet zonder reden verbaasd over stonden eene ledige wipkar op den weg
te vinden. Het scheen wel, dat het geesten-, spoken- en voorloopenrijk
te Zevenhuizen zijn zetel had opgeslagen. Gelukkig is thans, nu de beschaving
hier meer begint door te dringen, dat verschrikkelijke goedje, dat er maar
alleen op uitscheen om menschen te plagen, opgedoekt. Maar - om op ons
Groot-avondpraten terug te komen. De gasten werden gul onthaald; maar -
en dit was een voordeel van deze winteravondvisites - niet op veel spiritualien.
Men kreeg eerst koffie met een paar `bruggen met kees'. Was de visite bijzonder
deftig, dan kreeg men wel een paar beschuiten en als de huisheer van den
bakker om Nieuwjaar eene stoet op zijn brood toe gekregen had, nu ja, dan
maakte de kaas wel eens plaats voor eene snee roggenstoet. Om 8 uur kregen
de gasten koffie met een klontje. Inmiddels had de huisvrouw een pot met
aardappelen boven het vuur gehangen en nadat deze gaar waren eene pan met
strepen spek. Want er moest door de gasten gegeten worden! Niet altijd
echter werd de visite onthaald op aardappels met uitgebraden spek, dit
geschiedde alleen, als er juist geslacht was. Anders had er reeds den geheelen
avond een pot met stokvisch bij het vuur staan te pruttelen. Na de aardappelen
met spek of stokvisch kwam er nog eene groote hoeveelheid brij op tafel.
Zoo verliep etende en pratende de tijd tot een uur of elf, half twaalf.
De koffieketel kwam weer ten vure en de avondpraterij werd besloten met
een kop koffie met een klontje. Om een uur ging men naar huis met volle
magen. Waren er in het gezin jongelui, dan gingen deze naar een der huizen
der gasten, het liefst natuurlijk daar heen, waar zij van het andere geslacht
konden vinden. Gewoonte was dan, dat deze daar aten.
In den Zevenhuister tongval speelt het Friesch eene groote rol. Ieder, die met een Zevenhuister spreekt, zal dit dadelijk opmerken. Dit behoeft geene bevreemding te wekken; want de venen strekten zich vroeger naar den Frieschen kant uit en men mag aannemen, dat er van die zijde tal van veenarbeiders gekomen zijn. Hoe verder dus zuidwaarts, hoe meer het Friesche karakter der taal uitkomt; te Haulerwijk is die reeds zuiver Friesch, ook te Wilp spreekt men veel Friesch. De Oud-Zevenhuister spreekt vlot Friesch met een bewoner uit Friesland. Zoo zijn dan ook vele Friesche woorden in onze dorpstaal overgegaan. Naar de zijde van Drente is de afscheiding zeer scherp. Komt men in het gehucht Een, dan is dadelijk de Saksische tongval merkbaar. Dat is niet te verwonderen. Naar de Drentsche zijde strekten zich vroeger de venen niet ver uit en wat er tegenwoordig nog verveend wordt, bestaat grootendeels uit het vervenen van hier en daar verspreide kliendobben. Zoo was dus Zevenhuizen van Drente gescheiden door een groot heideveld en dat is nog zoo. Er werd met de Drenten weinig of geen gemeenschap onderhouden. Het zachte, zoetvloeiende van het Friesch valt dadelijk op. Op Pinkstermarkt werd vroeger gedanst voor de fioel en wij zeggen: de kiener kwammen er an. De Zevenhuister taal heeft behalve dat zoetvloeiende nog een ander karakter. In dit andere opzicht kunnen wij haar niet als voorbeeld aanbevelen. Er komen n.l. vele platte en ruwe uitdrukkingen in voor. Wij willen het ontstaan daarvan maar op rekening stellen van de geringe ontwikkeling en de weinige beschaving, die vroeger te Zevenhuizen heerschte.Gelukkig begint dat ruwe wel iets te verdwijnen. Wanneer ik b.v. mededeel, dat de echte Zevenhuister nooit zal zeggen van hoofd, maar van kop, van bek in plaats van mond enz.,dan kan ieder de rest wel begrijpen. Natuurlijk hoort men hier ook lui in andere tongvallen spreken, dat doen zij, die later van buiten ingekomen zijn, van de Klei of uit Drente. Maar men schikt zich spoedig naar het Zevenhuister dialect. Ten slotte geven wij hier eene vertelling in de Zevenhuister taal: `Doe wij lest ut fen husersl harren, ben wij nog met n'anner nao Veenhusen west tepieselen2. Dao woonden ons bes en beppe3 van mems4 kaant. Heit5 wol graog, dat wij der es hen gingen. 't Was op n' Dunnerdag en wij warren nog al'n bietje bang veur zwaor weer; want 't was zoo waarm en er zatten dunnerkoppen an de lucht. Wij mossen over 't Eenerveld en harren docht, dat wij der veurtied nog wel over komen konnen, maor doe wij midden op't veld warren, begunde't al te dunneren. Wij warren liekemallennig6; want der ston maor een huus en dat was nog 'n hiel enne vot. 't Was ons slim genog; want 't zwaor weer was hiel rempen opkomen. Wij liepen hiel haard en doe kwammen we nog krekts veur 't begunde te reegen bij dat huus. 't Frommes9 dee ons de deur open en zee: `Wat kwammen jimlo daor haard anloopen!' Wij warren bliede, dat we binnen deur warren. 't Onweer liep beter af, als wij docht harren; maor wij hemmen er toch nog wel drie ketier schoelt. Ien Een he we nog 'n schofke zeten en doe vertelden ze ons, dat er ien Houlerwiek 'n huus opbraand was. De dunner was toe de schosstienll ienkomen, zeen ze. Alles was omtrent verbraand. Doe wij weer vot gingen, kwam de Scheper net tuus met de schaopen. Hij har't er stoer genog met had om ze bijnanner te hollen en dicht bij hom was de dunner nog iene grond slaogen. 't Was veul frisser worden nao 't zwaor weer. Hoe dichter wij bij Veenhusen kwammen, hoe meer 't regent har en dicht bij 't huus van beppe en bes mossen wij an 'd enkels toe deur de modder bagelen. Beppe har ons al ankomen zien, zij kwam ons iene muutl2 en zee: `Och, kiener, kiener, bin jim daor, wat hemmen min weer troffen, niet!'
1 Gasten.
2 Op visite.
3 Grootvader en gootmoeder.
4 Moeders.
5 Vader.
6 Geheel alleen.
7 Onverwacht.
8 Juist.
9 Vrouwmensch.
10 Gij.
11 Schoorsteen.
12 Tegemoet.
Een drietal eeuwen geleden lag er tusschen Leek, de hooge zandgronden
van Drente en de tegenwoordig nog bestaande zandstuiving bij Haulerwijk
een groot hoogveen, dat een goed deel des jaars niet was te passeeren.
Het beschermde een groot deel van Drente voor een vijandelijken inval.
Waar aan beide einden de bodem een beteren verkeersweg mogelijk maakte,
had men schansen aangelegd, dat was de Wolferschans bij De Leek en de Zwarte
of Zwartdijksterschans in de boven vermelde duinen. De eerste is sedert
lang verdwenen; maar de laatste die vermoedelijk door Prins Maurits is
aangelegd, is nog heden in vrij goeden staat. Op dit hoogveen, dat behoorde
aan de heeren van Nienoort, werd reeds vroegtijdig turf gegraven. Wanneer
evenwel meer bepaald dit veen `aan snee' kwam is niet met zekerheid te
zeggen. In een oud porcesstuk vinden wij een twist vermeld tusschen de
heeren van Nienoort en de boeren van Een, die bij de Zwarte schans turf
kwamen graven en boekweit verbouwden, welke daden den heer van Nienoort
aanleiding gaven om bij Heeren Gedeputeer- den van `Stadt en Lande' een
sergeant en eene compagnie Guardes aan te vragen, aan welk verzoek werd
voldaan met kennis van den `Gerichte van Vredewold', welke troep er op
uitging onder den toenmaligen wedman Santee om den boeren van Een die dingen
af te leeren. Bij deze gelegenheid was de passage over het veen zoo treurig,
dat van wege den slechten toestand van den weg en de moerassige plaatsen,
de door de boeren gegraven turf niet kon worden vervoerd naar De Leek en
daarom maar in stukken werd gehakt en over het veld gestrooid terwijl de
te veld staande boekweit werd vernield. Deze geschiedenis viel voor in
1746 op den lOden Augustus. En - in het boven aangehaalde proces wordt
eveneens vermeld, dat eenige jaren voor 1792 de Gave op last van den heer
van Nienoort was `opgeruit en geschoond ten behoeve van de turfschepen
uit de venen van Zevenhuizen'. Derhalve was voor 1792 het veen reeds `aan
snee'. Wij gaan nu met stilzwijgen het tijdvak voorbij, waarin Zevenhuizen
worstelen moest om te zijn of niet te zijn, elders in hoofdstuk 2 is daarvan
reeds het een en ander medegedeeld. De veenarbeider werd het slachtoffer
van een verkeerd ontginningssysteem en half dorre, onbewerkte zandgrond
was het loon, dat een leven van moeilijken arbeid verwierf. Had hij het
goed zoo lang de campagne duurde, de inkomsten waren niet zoo groot, dat
er van belang kon worden overgegaard, wat dan aan de verbetering van den
bodem in 't bijzonder en aan de algeheele vooruitgang van de plaats in
't algemeen ten goede moest komen. Het is een feit, dat er overal en ten
allen tijde mannen zijn geweest, die eene betere en diepere blik in de
toekomst hadden dan hunnen medeburgers. Aan dergelijke mannen heeft het
Zevenhuizen ook niet ontbroken. Bij de ouderen van jaren zijn nog zeer
goed bekend de namen van Hendrik Hendriks Kuiper, Klaas Berends Hofstee
en Lukas Stuut. Dit driemanschap heeft veel gedaan voor den vooruitgang
van Ons Dorp. Hoe vaak hebben zij niet de ingezetenen van Zevenhuizen ter
vergadering opgeroepen, uit den dommel gewekt en geadresseerd bij verschillende
colleges! Ingezetenen van Zevenhuizen! Op de stille begraafplaats achter
onze Hervormde kerk rusten zij. Den hoed af, als gij hunne grafsteden voorbij
gaat! Zij hebben gestreden voor Ons Dorp! Het jonge geslacht weet dat nu
zoo niet meer; maar het is hier de plaats om er aan te herinneren, dat
hunne namen in eere dienen te worden gehouden. Met het leggen van den kunstweg
in 1893 begint eigenlijk het Nieuwe tijdperk van de ontwikkeling van Zevenhuizen.
Later werden nog nieuwe sluizen gebouwd en eenige oudeveenwijken uitgediept
ten behoeve van den landbouw. de resultaten van genoemde verbeteringen
waren verrassend. De bodem rees in waarde en daarmede hield het verbeteren
van den grond gelijken tred. Men mag aannemen, dat in de laatste jaren
reeds de opbrengst verdubbeld is. Vooral legde men zich op de aardappelcultuur
toe en bracht men gronden, die voor een lOtal jaren pas 200 H.L. per H.A.
opbrachten, tot eene opbrengst van 350 H.L. en meer. Vooral het oprichten
van eene Landbouwvereeniging heeft den bloei van Zevenhuizen ongemeen bevorderd.
Deze machtige corporatie, waartoe allengs bijna alle groote en kleine landbouwers
toetraden, heeft nieuwe middelen en wegen aangewezen, die Ons Dorp ten
zegen zijn. En is ook niet de in dezen Zomer gebouwde cooperatieve boterfabriek
te beschouwen a1s hare dochter? En zoo begint Ons Dorp aan meer en meer
met eere eene plaats in te nemen in de rij der dorpen van onze provincie.
De oude toestanden bestaan niet meer, het is alles nieuw geworden en op
den voormaligen moerassigen veenbodem, vroeger een twistappel tusschen
de heeren van Nienoort en de boeren van Een, werkt thans eene nijvere en
– wij kunnen haast zeggen - welvarende landbouwbevolking.