Voorbericht

1 De Turfgraver

2 Zevenhuizen als Veenkolonie

3 De Communicatie

4 De groote Veenbrand

5 Hulp in Nood

6 Onze Volksvermakelijkheden

7 De Zevenhuisterdans

8 Het Groot-avond praten

9 Onze Taal

10Het nieuwe Tijdvak
 
 

Voorbericht
…………………………
Het tiental schetsen, dat hier in den vorm van een boekje in het licht verschijnt kan dienen om een blik te geven in de Zevenhuister veen kolonie en in het leven, streven en werken der bewoners. Na eene jarenlange worsteling toch begint Zevenhuizen, dat altijd als een soort asschepoester geminacht werd, zich langzaam maar zeker te ontwikkelen tot een welvarend dorp en is er geene zienersgave toe noodig om te voorspellen, dat het over niet eens zoo heel langen tijd een zeer belangrijk deel van de gemeente zal zijn.
Zevenhuizen heeft eene lijdensgeschiedenis achter den rug, zooals er zeer zeker in onze provincie geen tweede is aan te wijzen. Het kan zijn nut hebben, dat voor het nageslacht bewaard blijft, wat de voorvaderen gedaan hebben, hoe zij hebben geleefd en hoe in een vergeten hoekje van onze provincie geleden en gestreden is tot men kwam tot de tegenwoordigen toestand. Het is ook mogelijk dat het "jonge Zevenhuizen" er zich door opgewekt gevoelt, om te blijven volharden in den goeden strijd, in aanmerking nemende, wat Zevenhuizen voorheen was en thans is. Vooral wanneer dit laatste het geval mocht wezen, zal de schrijver zich meer dan beloond achten voor den tijd en de moeite, aan de samenstelling van dit boekje besteed.
 
 
 

1. De Turfgraver
Wanneer de Winter geweken is en Paschen in't land komt, begint er leven en beweging te komen onder de arbeidende klsse van Ons Dorp. Want dan begint het veenwerk. Naarmate de venen te Zevenhuizen in den loop van de jaren afnamen, begon er natuurlijk ook gebrek aan werk te komen. Vele huisgezinnen vertrokken voor en na andere streken, waar "veen aan snee" kwam; maar toch  het merendeel der arbeiders bleef en- zich naar tijd en omstandigheden schikkende, trekt men omstreeks Paschen met pak en en zak naar Stadskanaal, Nieuweroord, Nieuw-Amsterdam, Erica en Schoonoord. Het getal vertrekkende turfgravers kan men jaarlijks wel op 400 schatten, d.i. ongeveer 1/5 deel van de geheele bevolking en de opening van de veencampagne veroorzaakt hier dus eene ware volksverhuizing.
Al zijn de gouden dagen voorbij, waarin een veenwerker om middag 3 1/2 a 4 gulden had verdiend en voor een rijksdaalder pas "in de lucht wilde kijken"  toch verdient hij nog een aardigen stuiver.
De turfgraver begint zij dagwerk reeds voor de zon het aardrijk komt beschijnen en eindigt omstreeks de middag. Hij is dan bijzonder matineus. In de gouden dagen van de turfgraferij te Zevenhuizen was het een wedstrijd, wie het eerst aan het werk was en daaruit is in later jaren de zonderlinge gewoonte ontstaan onder de arbeiders, welke bij den boer werk moeten zoeken, punctum om 1 uur het werk te eindigen. Zoo maakt hij dan in den wintertijd, als er op het veld nog iets verricht kan worden, ook maar zeer korte dagen, n.l. van "licht worden" tot een uur. Dat vele landbouwers met deze methode niet gediend zijn, hoeft niet gezegd te worden.De Veenarbeiders moeten zwaar werken; gewoonlijk zijn het stoere, dappere lui, voor wie men den hoed moet afnemen. Den Veenarbeider gebruikt zijne koffie en zijn brood op het veld. Over een vuurtje boven het veen aanglegd, kookt hij de koffie. Het is bekend, dat door onvoorzichtigheid; waarmede maar al te vaak met vuur werd omgesprongen, groote stukken veen in vlammen opgingen of turfhoopen tot asch verteerden. Hij is voor geen kleintje vervaard en spreekt van eene wandeling van Zevnhuizen naar Schoonoord of Nieuw-Amsterdam als van een alledaagsch ding.
Het tegenwoordige geslacht de Turfgravers heeft het trouwens in de dezen oneindiger moeilijker dan de voorouders; toen in de gulden tijden tijdens het werk bij huis was en de venen van Zevenhuizen nog volop te verdienen gaven.
De Turfgraver valt bij naderre kennismaking niet af. Hij bezit eene vrij goede dosis gezond verstand en is over 't geheel de leer toegedaan, dat het hemd nader is dan de rok, een karaktertrek, die zeker uit den moeilijken strijd om het bestaan is ontsproten en die dan ook op den echten Zevenhuister Turfgraver een eigenaardigen stempel drukt.
De Zevenhuisters weten zeer goed, dat hun Dorp niet in een al te besten reuk staat- vroeger waren snij- en vechtpartijen aan de orde van den dag. De annalen van de rechtbank te Groningen zullen daaromtrent genoeg bijzonderheden bevatten. Maar naarmate de beschaving in deze streken doordrong, deed zij ook hier weldadigen invloed gevoelen en thans behoren baldadigheden en vechtpartijen tot de zeldzaamheden. Ja, ik ga niet te ver door te beweren, dat Ons Dorp eene groote mate van rust en veiligheid aanbiedt, als alle andere dorpen.
Voor dat de Turfgraver, die met vrouw en kroost gezegend is, naar de vreemde gaat, heeft hij het zeer druk. Want eerst moet tuin of land omgespit worden; opdat moeder, de vrouw, de noodige aardappels of stamboonen kan verbouwen. Er is hem dus alles aan gelegen, dat de Winter vroeg eindigt. Duurt deze lang dan moeten alle handen mee helpen, om op tijd klaar te komen, zelfs die der vrouwen.
Vrijdag of Zaterdag voor Pinksteren komt de Turfgraver terug met een aardig sommetje; wanneer ten minste het gure voorjaarsweer en de koude in zijne keet op het turfveld hem niet eerder eene ziekte op den hals hebben gehaald, om dan op de Pinkstermarkt te Leek 1 of 2 biggen te koopen, die, gemest, dienen om in den Winter te worden verkocht voor de noodige “ongelden".
Is het Turfgraven afgeloopen, dan verandert de Turfgraver in boerenarbeider en trekt “naar de klei" om koren te zichten. De landbouwers van het Hoogeland kunnen het getuigen en zien de Zevenhuister arbeiders gaarne als goede werklieden verschijnen. Zoo komt eindelijk de Winter en daarmede een tijd van welverdiende rust. Dan volgen ook wel eens kwade dagen, vooral; wanneer de verdiensten niet te ruim zijn geweest; maar de welbekende liefdadigheidszin helpt in de moeilijkste gevallen. Alles te zamen genomen kent de Zevenhuister Turfgraver geene armoede en steekt gunstig af bij den arbeidenden stand van elders. Veelal bezit hij eene geit, een schaap, soms eene koe. Nergens zullen de socialisten minder succes van hun werk hebben dan hier. Wij weten hier pas, wat socialisten zijn, alleen komen van buiten daaromtrent onbestemde geruchten tot ons. De ouden van dagen leven meestal in ruste op een plekje gronds in eene bescheidene woninge, een en ander door zorgzame vlijt geheel of gedeeltelijk overspaard. Zij begonnen met een stuk heidegrond en met eene plaggen hut, later vervormd tot een woonhuisje van steen en hout met een flinken tuin of een kampje land. Eene koe ontbreekt zelden. Hij voelt zich gelukkig in zijn kleinen kring, hij bewerkt zijn akker, zamelt zijne aardappelen en rogge in en trekt minachtend de schouders op, als men hem wijs wil maken dat hij het “min” heeft. Want hij gevoelt dat dit niet waar is. De Turfgraver in ruste ziet meesmuilend neer op het jongere geslacht en de veranderde tijdsomstandigheden; zeer zeker loopt naar zijne meening de wereld op 't eind van haar dagen met al die nieuwerwetsche zaken als locomotieven, spoorwegen, stoombooten telegrafen en dergelijke, waarvan hij het rechte niet begrijpt, wat hem trouwens niet euvel te duiden is. Op zijn “stee” leeft bij onbezorgd en zonder beslommeringen voort; eene mate van rust genietende, die hem menig rijk stedeling zal benijden.
 
 

2 Zevenhuizen als Veenkolonie
 
 

De bevolking van ons dorp is tweeërlei. De veenarbeiders vormen het kenmerkende, de landbouwers echter het voornaamste deel van ons dorp. Wij willen terstond opmerken, dat er vermoedelijk in onze geheele provincie geen dorp is, waar minder verschil van stand is te bespeuren. Landbouwers en arbeiders leven als gelijken, in de lange winter- avonden gaan zij naar elkander op visite en de mindere man doet daarbij zijn best om den meerdere zoo goed mogelijk te onthalen. Want een karaktertrek van de Zevenhuisters is, dat zij gastvrij zijn en gul. Buiten de veenarbeiders en landbouwers heeft Zevenhuizen eenige winkeliers, ambachtslieden en nog enkele verveners. Want Zevenhuizen is eene Veenkolonie. Naarmate het veen afgegraven werd, is van den overblijvenden grond bouw- en weideland gemaakt, meest bouwland; want uit den aard der zaak zijn de hooge diluviale gronden minder geschikt voor grasland. Toch liggen hier en daar in de laagste streken, b.v. aan de Jonkersvaart, Tetswijk en elders uitmuntende graslanden.
Als Veenkolonie kan Zevenhuizen echter in de verste verte niet op eene lijn staan met Stadskanaal, Wildervank, Veendam of Pekela, ofschoon de bodem hier, volgens lieden, die het kunnen weten, in goede hoedanigheden bij genoemde streken niet behoeft ten achteren te staan. Terwijl men daar dadelijk met een regelmatigen aanleg is begonnen en een hoofdkanaal heeft, waarop alle andere kanalen uitloopen, is de aanleg van Zevenhuizen zeer onregelmatig en vertoont een chaos van `wijken' (vaarten of kanalen). Bij het aanleggen is men met groote slordigheid te werk gegaan. Men groef eenvoudig de `splitting' en kruide den grond op het omliggende veen. Zoodoende vindt men dan ook nog heden overal onder die oude wallen langs de wijken turf. Zelfs het turfgraven is niet
met de noodige zuinigheid geschied, men nam maar gauw het beste weg, zonder zich veel om de rest te bekommeren; zoodat in latere jaren nog veel is nageveend. Te Boven-Zevenhuizen moet de toestand vroeger zeer bijzonder geweest zijn. Voor dat de Haspelwijk werd gegraven, had men in dat bovengedeelte kleine wijken gemaakt, die in de richting van de tegenwoordige Oude Streek liepen; waar zij in den zoogenaamden waterloop uitkwamen. Daar werd ongeveer op de hoogte van het tegenwoordige Schoolpad het water opgekeerd. De waterstand was veel hooger dan thans en de bovenste sluis in het Hoofddiep moet veel meer water gekeerd hebben dan later. Toen de Haspelwijk gegraven werd, werd het water zooveel verlaagd, dat de oude wijkjes droog liepen en tegenwoordig de bodem er van we1 een Meter hooger ligt dan de waterspiegel van genoemdevaart. Oude menschen kunnen zich dien toestand nog herinneren en spreken van schepen, die boven op het veen voeren. Zoo zal het wel geleken hebben! Merkwaardig is de bocht, die het Hoofddiep maakt bij de Kromme Kolk. Door eene of andere omstandigheid schijnt men genoodzaakt te zijn geweest hier van richting te veranderen. Zeker is dit niet vrijwillig geschied; want men moest toen door eene zandhoogte graven; terwijl men rechtuitgaande eene laagte had kunnen volgen.  Later werd de Veldstreekster wijk of het zoogenaamde Mandeelig Hoofddiep weer in de richting van het verlengde van het oude Hoofddiep benoorden de Kromme Kolk gegraven. Aan alle `wijken' zijn huizen gebouwd; waaruit volgt, dat de bevolking zeer verspreid is. In vergelijking echter met andere streken van de gemeente Leek is Zevenhuizen vrij dicht bevolkt want terwijl het in grootte ongeveer 1/5 gedeelte der gemeente is, bedraagt het zielental 2/5. Het moet onze verbazing wekken, dat Zevenhuizen nog heeft kunnen worden, wat het is. Want het kapitaal, dat de veenderijen opgebracht hebben, is wel het minst aan Zevenhuizen ten goede gekomen. Oorspronkelijk toch kwamen de venen uit de handen van Nienoord en Ter Heijl in het bezit van verschillende verveners. Deze meenden, dat het in hun belang was, eerst de turf af te graven, om dan later den ondergrond voor veel geld te verkoopen. Maar deze berekening faalde; want toen eindelijk de turf voor het grootste gedeelte weg was, waren er geene koopers voor den bodem. Alzoo ging het kapitaal voor Zevenhuizen verloren en ontbrak het geld voor ontginning van gronden. De vervenerswerden rijk ten koste van Zevenhuizen en wat meer is: zij gingen buiten het dorp wonen, meestal te Leek; zoodat deze plaats dan ook van de afgraving van de venen het meest heeft geprofiteerd. Een ander gedeelte van het kapitaal kwam in 's Rijks schatkist in den vorm van turfbelasting. Zoo kwam het dan, dat men bij de ontginning, of zich zelf moest helpen, of het geld van buiten moest komen. Beide dingen zijn geschied. Met taaie volharding legde veenarbeider zich op de ontginning van het stuk heideveld, dat hij of in eigendom, of in vaste huur had weten te verkrijgen, toe en maakte zoo uit niets iets; maar dit ging natuurlijk uitermate langzaam. Wel waren er enkele verveners, die zich met kracht op ontginning toelegden; maar het was zelfs voor hen met de kapitalen, die zij bezaten, niet mogelijk de groote uitgestrektheid veengrond in cultuur te brengen. Van buiten moest dus de meeste hulp komen. Voor en na hebben zich uit verschillende streken van onze provincie landbouwers in Ons Dorp neergezet. Velen zal dit niet berouwd hebben. De malaise, die elders den boerenstand heeft gedrukt, hebben wij hier niet gekend; want het 1even is hier eenvoudig en men kon betrekkelijk spoedig in de behoeften voorzien. Zoo bestaat de bevolking van ons dorp dan ook uit twee elementen, n.l. uit de oude bewoners en uit hen die zich hier later gevestigd hebben. In karakter, taal en leefwijze is nog heden dit verschil goed op te merken. Zevenhuizen is een dorp met veel natuurschoon en - hoewel het in den Winter kaal en eentonig is even als zoo vele andere dorpen - behoort het in den Zomer tot de fraaistestreken van het Zuidelijk Westerkwartier.
 
 
 

3 De Communicatie
 
 
 

Wij denken ons 20 a 25 jaar terug. Zevenhuizen werd toen wel `de Buitenwereld' genoemd. En daar was veel van aan. Het was met De Leek, de hoofdplaats der gemeente, verbonden door een slechten zandweg; die, slecht onderhouden, in den Winter op een' modderpoel geleek, zoodat zelfs de wagens soms vastraakten en de goederen moesten afgeladen worden in den modder of op het zandpad natuurlijk om weer los te komen, inden Zomer een stofboel. Jaren hebben de Zevenhuisters gestreden voor het verharden van dien zandweg, bijna een geheel geslacht is er over heen geleefd, en de oude Provinciale Groninger Courant bevat daarover zoovele ingezonden stukken, dat zij, aaneengehecht, wel den geheelen weg naar De Leek konden bedekken. Het verharden van dezen weg is voor Zevenhuizen eene levenskwestie geweest en er zou eene zeer interessante geschiedenis over te schrijven zijn. Eindelijk kreeg de zaak haar beslag en werd de weg door de Gemeente gelegd met 50 pCt. subsidie van de Provinciale Staten. Op den 12 Aug. 1893 werd hij plechtig ingewijd. Toch is de ligging van Ons Dorp nog al geisoleerd. Naar Haulerwijk bestaat nog altijd de oude zandweg, die naar wij hopen, daar door de Provincie een belangrijk subsidie is verleend, eerlang in een' kunstweg zal veranderd worden; Marum en De Wilp zijn alleen langs omwegen - en nog wel zeer slechte - te bereiken, de Drentsche plaatsen Roden en Een genieten de eer van een `beunspoor', den primitiefsten weg, dien men bedenken kan. Ondertusschen waren de bewoners van Zevenhuizen mannen van `Selfhelp'. Gebruik makende van het vrij goede scheepvaartkanaal, werd er reeds voor,jaren een stoomboot- dienst op Groningen aangelegd, vice versa, welk veer, getuige de massa's goederen en passagiers, die er mede vervoerd werden, in eene langgevoelde behoefte voorzag. Langs den straks genoemden zand- en modderweg liep vroeger een voetpad. In den Herfst werd dit hersteld en met wit zand bestrooid, zoo bleef het den geheelen Winter vrij goed begaanbaar. Nog heden vindt men in de meeste deelen van Zevenhuizen dergelijke voetpaden, die met zorg worden onderhouden. Waar deze paden over de wijken gaan, zijn door de zorg van het Gemeentebestuur in de laatste jaren goede draaivonders met leuningen gelegd. Vroeger evenwel lieten deze vrij wat te wenschen over en het mag wel een wonder genoemd worden, dat er in den goeden ouden tijd zoo weinig ongelukken bij deze vaak zoo gebrekkige bruggetjes zijn gebeurd, daar er nergens lantaarns waren ge- plaatst. Dit in aanmerking nemende, moet geconstateerd worden, dat het gezicht van de Zevenhuisters goed is ontwikkeld. Het voomaamste vaarwater is het Hoofddiep. Sedert jaren staat het door een flink kanaal, de Jonkersvaart, in verbinding met de Friesche wateren. Vroeger was dit zoo niet, en vond men even voorbij de plaats, waar in het afgeloopene jaar de nieuwe sluis is gelegd, een dam. Het is wel jammer, dat de Jonkersvaart slechts zijdelings langs Zevenhuizen loopt. Het grootste deel van het dorp heeft zoodoende van dit vaarwater niet veel. Wat de veenwijken betreft, deze beginnen meer en meer te vervallen, hoewel sommige, zooals de Oost-Indische wijk, de Kokswijk en het Mandeelige Hoofddiep (d.i. de Veldstreekster wijk) voor enkele jaren op eigen kosten door de Landbouwers verbeterd en uitgediept zijn, ten behoeve van den af- en aanvoer voor den landbouw. De waterstand wordt geregeld door het Gemeentebestuur, dat hiervoor met lofwaardigen ijver zorgt, en zoodoende aan het Waterschap Westerkwartier een werk uit de handen neemt. Vroeger, toen de kanalen zich zelf nog niet konden voeden, werd in den Zomer het water in onze vaarten opgemalen door drie windwatermolens, welke gebouwd waren aan het zoogenaamde Molenkanaal, dat even boven het Bovenste verlaat in het Hoofddiep uitkwam. Maar toen in 1868 de Middelste molen door den bliksem werd in brand gestoken en bij die gelegenheid tot den grond afbrandde, Iiet men de andere molens vervallen, die nu al spoedig geheel op ruine's geleken. Velen zullen zich b.v. nog den ouden watermolen herinneren achter de huizen te Leek, die jaren als een fraai schilderstuk heeft gestaan zonder wieken. Nu wij toch over deze zaak spreken, willen wij ter loops opmerken, .dat deze watermolens eene rol hebben gespeeld in het leggen van den kunstweg. De zaak was zoo. De veeneigenaren konden eischen, dat de molens weder in gang werden gebracht; maar dit was nu juist niet zoo bepaald noodig, daar de kanalen te Zevenhuizen, sedert zij met het Friesche water in verbinding stonden, zich vrij wel konden voeden en het Gemeentebestuur wilde het ook liever niet. In eene vergadering van veeneigenaren en grondbezitters te Zevenhuizen gehouden, werd daarom besloten eene verklaring af te geven aan het Gemeentebestuur, dat men niet verlangde de molens herbouwd te zien, indien de Gemeente den zoo zeer begeerden kunstweg wilde doen opmeten en daarvan
bestek en begrooting wilde doen opmaken. Men hoopte namelijk, dat als men hiertoe overging, men ook zou besluiten tot het leggen van den weg, daar aan deze opname enz. toch betrekkelijk vrij aanzienlijke kosten verbonden waren. Maar de Zevenhuisters verheugden zich met eene doode musch. De weg werd opgemeten, in kaart gebracht etc.; maar verder kwam de zaak niet. Voor 30, 40 jaren gold eene reis van Zevenhuizen naar Groningen als een waagstuk van belang en nog heden zijn er in Ons Dorp ouden van dagen te vinden, die de goede oude stad nooit hebben gezien. In de jonge jaren van deze Zevenhuisters was het Leeksterschip, beter bekend als de `Leeksterbol', het eenige algemeene middel van verkeer met Groningen. Het voer vijf dagen in de week (Donderdags en Zondags niet) des morgens om zeven uur van De Leek naar Groningen en om drie uur van Groningen weer terug. Nu behoeven wij niet te zeggen, dat er b.v. in den Winter bij donkere maan en den slechten weg in aanmerking genomen, eene goede hoeveelheid moed, wilskracht of wel noodzakelijkheid aanwezig moest zijn om reeds des morgens om 7 uur op De Leek aanwezig te wezen. Het oudere geslacht denkt nog met schrik aan die reizen; wanneer bij storm- en onweersvlagen of bij tegenwind over het onstuimige Leekstermeer moest gelaveerd worden, ja; wanneer er zelfs somtijds gevaar van schipbreuk beston, gelijk in den beruchten `Pinksterstorm' op den l8den Mei 1860 met de zoogenaamde `wonnen vracht'1. Het getal reizigers was doorgaans gering;10 man was veel. En thans - als men des Dinsdag's morgens tusschen 6 en 7 het dorp Leek bezoekt, kan men zien, welk een enorm aantal marktbezoekers onze streken aan Groningen levert. Men vraagt zich onwillekeurig af, hoe heeft men zich vroeger wel gered?

1 De `wonnen vracht' was de beurt van het Leeksterschip van Groningen naar de Leek op Pinkster-Zondag, ter gelegenheid van de kermis aldaar. Bij genoemde gelegenheid stormde het zoo hevig, dat verscheidene passagiers zeeziek werden. Niemand mocht zich tijdens de vaart op het Meer, toen er gelaveerd werd, op het dek vertoonen. Alles werd gesloten, alleen de kapitein en de knechts bleven op het dek. De beradigde kapitein kwam echter alle bezwaren te boven en zette omstreeks den middag de kermisgangers te Leek behouden aan wal, onder toeloop van eene goote massa volks; waarvan enkelen meenden, dat zij het schip hadden zien verongelukken.
 
 
 

4 De groote Veenbrand
 
 
 

Het jaar 1834 staat men eene zwarte kool aangeteekend in de geschiedenis van Zevenhuizen. Het was in den voormiddag van Dinsdag den llden Juni. Geheel de arbeidende bevolking ten getale van een paar duizend man was druk in de weer. Hier was men aan het turfgraven, daar aan het afschepen, elders aan het veenbranden. Plotseling kwam er omstreeks den middag eene donderbui op, vergezeld van een hevigen wind zonder regen en in korten tijd verspreidde het vuur van de brandende perceelen zich en zette alles in vlam. Reeds om half drie hadden de vlammen, aangeblazen door een waren orkaan, zulk eene uitbreiding gekregen, dat aan blusschen niet meer te denken viel en ieder, met wat hij nog redden kon, zijn heil in de vlucht zocht. Want niet alleen het veen geraakte in brand; maar ook de reeds ter vervoer gereed staande turfhoopen, benevens alle huizen, struiken en boomen, die het brandende element op zijn weg ontmoette. Het moet een vreeselijk schouwspel geweest zijn die duizenden turfhoopen in eene vuurzee te zien verdwijnen, daartusschen de vluchtende arbeiders, hun gereedschap in den steek latende. Hier zag men een schip in vlammen opgaan, daar een ander met volle zeilen gelukkig het gevaar ontsnappen, hier vernielde het vurige element in een oogenblik eene rij turfpramen, ginds verdween in rook een groepje bij eenstaande woningen van nijvere veenarbeiders. Tegen den avond kwam de brandspuit van De Leek en weldra arriveerden nog vier uit Groningen maar ze konden tegen de vuurzee niets uitrichten. Zoo bracht men een treurigen nacht door  steeds strijdende tegen den laaien gloed. Den volgenden morgen was de brand genaderd tot de Kromme Kolk, altijd nog aangeblazen door een stevigen Zuid- wester. Reeds begon men te vreezen voor de dorpen De Leek en Tolbert en menigeen pakte zijne kostbaarste zaken bijeen. De hitte was vreeselijk en het water dientengevolge zoo warm, dat de visschen dood op de oppervlakte dreven. Omstreeks den middag geraakte de Bovenste watermolen in brand. Maar de vlammen werden gelukkig gebluscht door een aantal meisjes van De Leek, die te Zevenhuizen gekomen waren om eens naar den veenbrand te zien. Het behoud van dezen molen was van het hoogste belang. Was hij opgebrand, dan zou Zevenhuizen den geheelen zomer van water verstoken zijn geweest, aangezien de veenkanalen toen nog niet, zooals thans, in staat waren zich zelf te voeden. De meisjeg verrichten derhalve een waar heldenfeit. Tusschen 4 en 5 uur ging de wind liggen en begon het te regenen; zoodat men tegen den avond het vuur bijna overal meester werd. Op vele plaatsen echter smeulde het nog dagen aaneen voort en brandde diepe gaten in den lossen veenbodem. De Drentsche kant van Zevenhuizen bleef gelukkig gespaardl. De schade was verschrikkelijk. Aan turf alleen was er voor ongeveer een ton gouds opgebrand. Alle veengereedschappen tot kruiwagens, planken en pramen toe, waren door het vuur vernield, benevens 72 woningen met al het huisraad, 5 schepen2 en eene menigte te veld staande vruchten. Het mag wel een wonder heeten, dat slechts een persoon bij dit alles het leven verloor. Het was een schipper, die in een stuk rogge vluchtte; maar daar door't vuur werd achterhaald en verbrandde. Vele personen overviel de brand zoo plotseling, dat zij hem niet ontvluchten konden; maar in greppels wegkruipende, het vuur letterlijk over zich heen moesten laten gaan. Verscheidene van deze personen waren met zware brandwonden bedekt. Heel ouden van dagen spreken nog altijd met schrik en ontzetting van het jaar van den veenbrand, zij weten u wonderen van moed en zelfopoffering mede te deelen en wij gelooven hen gaarne; want het moet inderdaad geweest zijn, of de elementen gezworen hadden Zevenhuizen van den aardbodem te zullen verdelgen. Twee duizend arbeiders waren zonder werk, de meesten van hen zonder woning, zonder voedsel of kleeding, bij-na allen hadden hunne gereedschappen verloren! Maar er kwam spoedig hulp opdagen. Reeds hadden bij het blusschen van den brand bijna alle mannen van De Leek en Tolbert hulp en bijstand verleend en wij hebben gezien zelfs de vrouwen. Thans voorzagen ook de ingezetenen van beide dorpen in de eerste be-hoeften. Maar zij konden niet alles en dat was ook niet te eischen.

1  Het vuur werd gedeeltelijk gekeerd voor de Oost-Indische wijk; toen het stil begon te worden.
2 In de 'wijk' voor de woning van Mart. Conraads in Oude-Wijk moet nog het vlak liggen van een der verbrande schepen.

5 Hulp in Nood
 
 
 

Er vormde zich derhalve eene commissie van onderstand, bestaande uit de heeren Leuringh, Wichers, ds. Meijer, Reijntjes en eenige anderen. Zij deed een beroep op den liefdadigheidszin van het Nederlandsche volk tot lening van de ramp. Er werd veel gegeven. In zeer korten tijd kon de Commissie beschikken over de kapitale som van tweemaal honderd duizend gulden. Daarenboven werden levensmiddelen, kleederen, dekens, in een woord van allerlei dingen in ruime hoeveelheid van alle zijden toegezonden. Waar echter tweeduizend menschen, waaronder tal van huisvaders van de openbare liefdadigheid moeten leven, is twee ton natuurlijk een droppel water in een emmer. De Commissie had dus, zooals het meestal in zulke gevallen gaat, aan hare taak niet te veel. Men begreep zeer goed, dat voor alles de arbeiders weer aan het werk moesten. De verveners begonnen dus, zoodra de nieuwe gereedschappen gereed waren, opnieuw turf te graven. Vervolgens trachtte de Commissie zoo goed mogelijk de geleden schade te vergoeden. A1 de 72 woningen werden weder opgebouwd en daar men beter materiaal gebruikte dan dat; waarvan de oude huizen waren opgetrokken, zagen de nieuwe gebouwen er recht geriefelijk uit. Menig veenarbeider verkreeg voor zijne keet veel beter woning terug. Ieder, die kon aantoonen, dat aan zijn huis steenen geweest waren, werd daarvoor een geheel steenen gebouw in de plaats gezet. Ook zorgde de Commissie voor huisraadl, beddegoed en kleeren, zoodat men mag aannemen, dat menig arbeider, nadat hij op nieuw behoorlijk gestoffeerd was, vrij wat voordeel van den brand had; want de geleden schade aan huishoudelijke artikelen moest maar op luk en raak, of volgens eigene opgaaf getaxeerd worden. De Commissie – en dit moet tot hare eer gezegd worden - was op dit punt niet schriel. De verveners waren er minder aan toe. Evenwel, zij konden de schade natuurlijk het beste dragen en daar men meende, dat de gelden, enz. eigenlijk ook alleen voor de veenarbeiders gegeven waren, kende men aan de groote veenbazen slechts 10 pCt. schadevergoeding toe, de kleinere kregen 50 pCt. De drie schippers, wier schepen verbrand waren, kregen nieuwe vaartuigen met compleeten inventaris. Door de verbazende veerkracht, die de Commissie aan den dag legde, was tegen den Winter bijna alles in orde en gingen de zaken te Zevenhuizen den ouden gang, alsof er geen veenbrand geweest was. Toen men ten slotte de rekening ging opmaken, bleek er een batig saldo te zijn van f  5400. De Commissie besloot deze gelden zoo winstgevend mogelijk te maken en opdat daarvan tevens dadelijk nog een goed deel aan de Zevenhuister veenarbeiders als werkloon ten goede zou komen, werd een groot stuk heideveld (plm. 40 H.A.) aangekocht, omgespit en met dennen beplant. Zoo dacht men met verloop van tijd in het bezit te geraken van een groot dennenbosch. De nieuwe aanplanting werd `Neerlandsch bosch' genaamd, maar de Zevenhuisters vonden deze benaming zeker minder gepast en betitelden den aanleg met `Commissiebosch'. Wie thans echter Zevenhuizen bezoekt en het Commissiebosch wenscht te zien, zal in zijne verwachtingen bitter te leur gesteld worden. Want het is met de aanplanting treurig afgeloopen, slechts een klein restantje kreupeldennen, ongeschikt voor eenig ding, wijst de plaats aan, waar men een trotsch bosch denkt te vinden. De bodem scheen voor houtcultuur minder geschikt, ook schijnt de vrij dikke oerlaag, die in den grond zat, niet voldoende te zijn losgebroken. Daarenboven is een groot deel van de jonge dennen door brand venield. Op een paar plaatsen in het Commissie-bosch is men thans met gunstig gevolg bezig den bodem te ontginnen. Voor eene herhaling van de catastrophe van 1834 behoeft men thans te Zevenhuizen niet bezorgd te zijn; want de turfgraverij is geheel afgeloopen, ja, het tijdstip is niet zoo bijzonder verre meer, dat er brandstof te Zevenhuizen moet aangevoerd worden. Bovendien houdt ons Gemeentebestuur een streng toezicht op het veen- en heidebranden, het staat dit alleen toe; wanneer men daarbij de bijzondere bepalingen der daarop bedekking hebbende gemeenteverordening in acht neemt en bedreigt met boete of gevangenisstraf een ieder, die deze bepalingen ontduikt of die door boekweitlandbranden schade veroorzaakt aan te veld staande gewassen of aan gebouwen; terwijl hij verplicht is bovendien voor de aangerichte schade vergoeding te betalen. In het bebouwde gedeelte van ons dorp wordt hoogst zelden vergunning voor veenbranden verleend.

1 Hier en daar wordt nog huisraad uit dezen tijd als antiquiteit en ter gedachtenis bewaard.
 
 

6 Onze Volksvermakelijkheden
 
 
 

De Zomer is voor de ingezetenen van Zevenhuizen een tijd van drukte en inspanning. Maar - wanneer de oogst is binnengebracht, de aardappelen zijn gerooid en vervolgens de buitenwerkzaamheden zijn afgeloopen, breekt een tijdvak aan van rust, uitspanningen en gezellige bijeenkomsten. Dan beginnen even als in andere dorpen de Winteravondvisites. Deze visites droegen vroeger den eigenaardigen titel van `groot-avondpraten' en in een der volgende hoofdstukken zullen wij daarover het een en ander mededeelen. Omdat wij van ouds in de `Buitenwereld', lees: `Buiten de Wereld' wonen, zijn wij in den Winter vooral te beschouwen als de bewoners van het land der Buitenste Duisternis. Daar in dit ondermaansche niets volmaakt is en de lui hier zeer goed de onvolmaaktheden in hun dorp schijnen op te merken, behoeft het niet gezegd te worden, dat er op de Winteravondvisites over allerlei zaken geredeneerd wordt en dat Jan, Pieter en Paulus er meestal nog al wat van langs krijgen; daar echter gelukkig die praatjes meestal de ooren toch niet bereiken van hen, over wie ze gaan, stichten ze nog niet zoo bijzonder veel kwaad, althans den schrijver dezes zijn nog geene gevallen bekend dat er ongelukken door zijn ontstaan. Soms brengt een boeldag of eene verkooping afwisseling in het eentonige winterleven. Wanneer zulk eene belangrijke gebeurtenis plaats heeft, komen de Zevenhuisters van alle kanten opdagen of ze gadingmakenden zijn of niet. Dit alles geldt echter alleen voor de meer ouderen van dagen, het jongere geslacht weet wel iets anders te vinden. Wij hebben hier onderscheidene malen eene zangschool gehad en zelfs jaren aaneen eene rederijkerskamer, die over vrij goede krachten kon beschikken; maar deze dingen zijn nooit tot grooten bloei gekomen. Soms wordt hier in den Herfst wel eens eene harddraverij gehouden, dit is echter meer eene uitspanning voor landbouwers; maar aan eene hardrijderij op schaatsen doet oud en jong, rijk en arm mee. Over’t geheel vindt men flinke rijders en rijderessen in Ons Dorp, die ook op vreemde plaatsen, zelfs wel in Groningen met gelukkig gevolg om prijs en premie hebben gekampt. Voor het jonkvolk zijn uitgangsdagen de Zondag voor Sint Nicolaas, de Tweede Kerstdag of Sint Stefanus en de zondag het dichtst bij 22 Febr.l. Vooral Si t Stefanus is een hoogst belangrijke uitgaansdag en het moet gezegd worden, dat er door velen dan heel aardig `ge-Sunt Steffend' kan worden, en dat er vroeger wel eens tafereelen voorvielen, die de goede Heilige zeker niet zoo grif weg voor bijzonder heilig zou aanrekenen.De grootste aantrekkingspunten voor de bewoners van Zevenhuizen zijn de jaarmarkten in Ons Dorp en in de omliggende dorpen Roden, Tolbert, Marum, Norg en Nietap. Maar de kroon spant de Pinkstermarkt te Leek. In vroegeren tijd waren er tal van arbeiders, die bij hun veenbaas geregeld wekelijks eenige stuivers lieten staan, om zoodoende op de Pinksterkermis voldoend of zelfs ruim zakgeld te hebben. Is de Zevenhuister veenarbeider uit den aard der zaak zuinig, op de Pinkstermarkt ziet hij niet op een dubbeltje. Dan haalt hij zijn hart op in de `hokken'z en weet nog jaren later met enthusiasme te spreken van de kunsten, die hij zag vertoonen, of van het `guchelspul'3; waarvan hij geen hoogte kan krijgen en staat terecht verbaasd over de velerlei wijzen, waarop de menschen aan den kost komen. Des middags en des avonds op Pinkstermaandag; want dat is de kermisdag bij uitnemendheid, werd er vroeger op het Hoogehuis4 duchtig geklonken en gedronken en ten slotte ook stellig altijd gevochten; maar in den loop der jaren is dit laatste langzamerhand van het programma verdwenen. Er was vroeger echter eerst leven in de brouwerij; wanneer de paren voor de fioel5 stonden en de Zevenhuister dans gedanst werd. De Zevenhuister dans is merkwaardig, hij kan alleen door echte outle Zevenhuisters gedanst worden en ik zet het den knapsten `professeur de danse' in zessen al de onmogelijke passen op het eerste gezicht met den noodigen zwier na te doen. Het jongere geslacht kan die danspassen niet goed meer maken, daarbij deugt de muziek gewoonlijk ook niet, redenen, die den Zevenhuister dans uit de mode doen geraken. Hij is evenwel merkwaardig genoeg en het zou waarlijk jammer wezen, dat deze merkwaardige volksdans, even als zoo vele andere volkseigenaardigheden, van het wereldtooneel ging verdwijnen. Daar is echter wel kans op.
 

 1 Vroeger hield men ach op dezen laatsten dag altijd bezig met katknuppelen; maar dit wreedaardig spel is sedert lang door de autoriteiten verboden.
 2 Kermistenten.
 3 Goochelspel.
 4 Thans bewoond door C. Hillebrands.
 5 Viool.

 
 
 

7 De Zevenhuister dans
 
 
 

Wij denken ons een 40tal jaren terug. Wanneer wij ons dan op Pinkstermaandag naar Het Hoogehuis begeven, zien wij daar te midden van tabaksrook en jenever een tafereel het penseel van Jan Steen of Ostade waardig. Aan den muur op eene verhevenheid zetelen de muzikant-dansmeester met zijne viool, Jan Randel, en diens vrouw Anke met eene tamboerijn. Jan Randel, beter bekend onder den naam van Jan-Oom, is een persoon geheel eenig in zijne soort. Hij is in een woord een origineel. Zonder hem is er geen leven in de brouwerij en allerlei grappen, gezegden en aardigheden van hem leven nog in den mond van het volk voort. Zoo betitelde hij de dansende paren steeds met `ronde kerels en bazen van vrouwluu!' De jongelui scharen zich voor de danspartij op het commando van Jan-Oom. Acht paren staan gereed; de jongens hebben de petten af en de jassen uit. De muziek begint. Sommigen, die heelemaal geen idee van muziek hadden, hebben Jan-Oom wel eens valschelijk beschuldigd met de opmerking, dat hij nooit anders speelde dan
                     `Zeuven zieden spek is vierdehalf varken,
                      Vierdehalf varken is zeuven zieden spek!'
Maar wij mogen gerust aannemen, dat dit vuige laster is. Jan Randel wist de meest mogelijke afwisseling in zijne dansmuziek te brengen, hij had eene goede viool, die nog in wezen is en hij speelde daarop niet onverdienstelijk. Als hij recht in zijn schik was, zong hij erbij op deze manier:
                     `En daar sprong een meid op krukken,
                     En zij brak haar been in stukken,
                     Falderalderire, falderalderare,
                     Falderalderire, fallala!'

               of   `En onze olle geitebok
                     Vrat al zien zeuven jongen op.
                     Falderalderire, falderalderare,
                     Falderalderire, fallala!'

De dans zelf is eene soort quadrille. Er komen onderscheidene passen in voor - en zooals ik reeds heb opgemerkt - is hij nog zoo eenvoudig niet en op 't eerste gezicht niet na te doen, zelfs niet door een geoefend danser. Wanneer alles eens heel mooi ging en de dansers en danseressen flink `geoefend' waren, knielden jongens en meisjes op een gegeven teeken vlak voor elkander op de rechter knie en zongen met daarbij passende gebaren:
 

  `Zoo steek ik mijn na-del-tie,   (Beweging van draad in de naald steken.)
   Zoo steek ik mijn dra-del-tje,   (Beweging van naaien.)
   Zoo sla ik de plug in 't gat.   (Beweging van koppen op eene schoenzool.)

Waarna allen opsprongen en de dans werd voortgezet. Maar deze variatie kon lang niet ieder maken. Ook is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk niet bij den dans behoorde maar later er tusschen is gevoegd. De uitvinder van den Zevenhuister dans is ontegenzeggelijk geen Domoor geweest en ik waag de gissing, dat Jan Randel aan het vaderschap niet geheel onschuldig is, in allen gevalle heeft hij ter bevordering van deze dorpsdans wel zooveel gedaan en er zooveel voor geijverd, dat zijn naam er ten allentijde door vereeuwigd blijft bij de danslustige jongelui.Even als ieder ander geroutineerd dansmeester wist Jan-Oom zeer goed de orde te handhaven onder de dansende paren. Hij deed alles maar op zijn oud-Hollandsch af. Van Caualier-seul, tour de-main of dergelijke uitdrukkingen wilde hij niets weten, hij riep: jongens alleen, rondloopen, alle meisjes, enz. Met eenige flinke streken op de viool en een paar krachtige slagen op de tamboerijn eindigde de muziek. Jan-Oom riep: `rondo!' en sloeg daarbij met den sh-ijkstok op de achterzijde van de viool. Dat wilde zeggen, dat ieder jonkman 5 cent moest betalen aan den muzikant-balletmeester. Men begrijpt dus wel, dat zoo'n Pinkstermaandag aan Jan-Oom geene windeieren lei. Met den dood van Jan-Oom was de fleur weg. Na hem heben wel enkelen beproefd zijn beroep op te vatten; maar het getal lui, die den Zevenhuister dans op eene viool of op eene harmonika kunnen spelen, is uiterst gering, nog geringer het getal van hen, die den dans goed kunnen leiden. Trouwens, zoo gaat het meer. De veldwinnende beschaving en het toenemende verkeer bedreigen alle van oudsher bestaande volkseigenaardigheden en trachten op alles een zooveel mogelijk gelijken stempel te drukken.
 
 
 

8 Het Groot-avondpraten
 
 
 

Tegenwoordig gaan de buren en vrienden in de lange winteravonden in Ons Dorp naar elkander op `visite' en verschillen zulke winteravondvisites niet van die in andere plaatsen. Maar vroeger was dat anders en spxak men bescheidenlijk van `avondpraten'. Dat `avondpraten' was klein of groot. Het Klein-avondpraten was een zeer gewoon iets. De man, het hoofd van het gezin, ging omseeks een uur of zes naar zijn buurman of vriend. Daar besprak hij onder het genot van een kop koffie met een `brug met kees' (boterham met kaas) de merkwaardigste dorpsgeschiedenissen. Om 8 uur, als het te huis etenstijd was, ging hij weer heen. Maar het `Groot-avondpraten' was eene zaak van belang. December en Januari waren er den tijd van. Dan kwamen man en vrouw te zamen. Dit avondpraten begon om 6 uur. Het huis, waar de gasten verwacht werden, was reeds des namiddags zeer netjes in orde gebracht, alles blonk en glom en de vloer was heel knapjes met fijn zand bestrooid. Tegen den tijd, dat de Groot-avondpraters kwamen, had moeder de vrouw de stoven reeds klaar gezet, stoven met groote testen vol vuur. Daar was men toen, met vuur n.l., niet zuinig mee; want turf was er genoeg. Nadat men behoorlijk plaats had genomen; de vrouwen boven de stoven en achter de tafel, de mannen bij het vuur, want kachels waren er toen nog niet en de huisheer in den hoek, werden de korte `smeugels' volgestopt en weldra was het geheele vertrek in tabaks- rook gehuld. Het moet een echt huiselijk tafereel geweest zijn, waarde lezer, stel u voor eene kamer, spaarzaam verlicht door eene tuitlamp en een vuur van kienhout en turf zoo kolossaal, alsof men een tweeden grooten veenbrand wilde maken, alles gehuld in een nevel van rook. Het spreekt van zelf, dat er over veel en velerlei gesproken werd, over dorpsnieuws, dat waar of niet waar gebeurd was, over de buren, over de gebreken van anderen, over de turfgraverij, enz. Ja, was er soms niet veel nieuws in het dorp, nu, dan geschiedde het ook wel, dat op dit Groot-avondpraten gauw wat bij elkander gebabbeld werd om later voor `grif waar' verder te worden verteld. Een ding was er vooral, dat steevast een punt van de agenda uitmaakte. Dat was de discussie over heksen, spoken, klopgeesten, plaagbeesten en voorloopen. Als ik het honderdste deel vertelde van hetgeen op deze Grootavondpraterij van genoemde dingen werd opgehaald, dan zouden de lezers de haren er van ten berge rijzen. Menigeen had waarlijk soms de aller griezeligste dingen beleefd of gezien, of zich althans dat verbeeld en enkele streken waren op dit punt zeer berucht. Zoo is het een bekend feit, dat het vroeger bij de Kromme Kolk lang niet pluis was. Zelfs hebben de spoken daar in zekeren nacht iemand, die op het zandpad wandelde, maar zoo een, t.vee, drie zonder woord of wijs, over het Hoofddiep getransporteerd naar de andere zijde; gelukkig zonder schade voor den wandelaar. Of men wist met smaak te vertellen van een viertal guiten, die ergens op Diepswal op zekeren avond eenige meisjes, welke uit `pieselen' (op visite) waren geweest, eens geducht zouden doen schrikken en daartoe eene wipkar midden op den weg zetten en hier op gingen zitten, elk met een wit hemd aan. Jammer genoeg werden toen onze vier helden zelf zoo benauwd voor elkander, dat zij ten.slotte hals over kop wegrenden; terwijl de meisjes later daar passeerende er niet zonder reden verbaasd over stonden eene ledige wipkar op den weg te vinden. Het scheen wel, dat het geesten-, spoken- en voorloopenrijk te Zevenhuizen zijn zetel had opgeslagen. Gelukkig is thans, nu de beschaving hier meer begint door te dringen, dat verschrikkelijke goedje, dat er maar alleen op uitscheen om menschen te plagen, opgedoekt. Maar - om op ons Groot-avondpraten terug te komen. De gasten werden gul onthaald; maar - en dit was een voordeel van deze winteravondvisites - niet op veel spiritualien. Men kreeg eerst koffie met een paar `bruggen met kees'. Was de visite bijzonder deftig, dan kreeg men wel een paar beschuiten en als de huisheer van den bakker om Nieuwjaar eene stoet op zijn brood toe gekregen had, nu ja, dan maakte de kaas wel eens plaats voor eene snee roggenstoet. Om 8 uur kregen de gasten koffie met een klontje. Inmiddels had de huisvrouw een pot met aardappelen boven het vuur gehangen en nadat deze gaar waren eene pan met strepen spek. Want er moest door de gasten gegeten worden! Niet altijd echter werd de visite onthaald op aardappels met uitgebraden spek, dit geschiedde alleen, als er juist geslacht was. Anders had er reeds den geheelen avond een pot met stokvisch bij het vuur staan te pruttelen. Na de aardappelen met spek of stokvisch kwam er nog eene groote hoeveelheid brij op tafel. Zoo verliep etende en pratende de tijd tot een uur of elf, half twaalf. De koffieketel kwam weer ten vure en de avondpraterij werd besloten met een kop koffie met een klontje. Om een uur ging men naar huis met volle magen. Waren er in het gezin jongelui, dan gingen deze naar een der huizen der gasten, het liefst natuurlijk daar heen, waar zij van het andere geslacht konden vinden. Gewoonte was dan, dat deze daar aten.
 
 
 
 

9 Onze Taal
 
 
 

In den Zevenhuister tongval speelt het Friesch eene groote rol. Ieder, die met een Zevenhuister spreekt, zal dit dadelijk opmerken. Dit behoeft geene bevreemding te wekken; want de venen strekten zich vroeger naar den Frieschen kant uit en men mag aannemen, dat er van die zijde tal van veenarbeiders gekomen zijn. Hoe verder dus zuidwaarts, hoe meer het Friesche karakter der taal uitkomt; te Haulerwijk is die reeds zuiver Friesch, ook te Wilp spreekt men veel Friesch. De Oud-Zevenhuister spreekt vlot Friesch met een bewoner uit Friesland. Zoo zijn dan ook vele Friesche woorden in onze dorpstaal overgegaan. Naar de zijde van Drente is de afscheiding zeer scherp. Komt men in het gehucht Een, dan is dadelijk de Saksische tongval merkbaar. Dat is niet te verwonderen. Naar de Drentsche zijde strekten zich vroeger de venen niet ver uit en wat er tegenwoordig nog verveend wordt, bestaat grootendeels uit het vervenen van hier en daar verspreide kliendobben. Zoo was dus Zevenhuizen van Drente gescheiden door een groot heideveld en dat is nog zoo. Er werd met de Drenten weinig of geen gemeenschap onderhouden. Het zachte, zoetvloeiende van het Friesch valt dadelijk op. Op Pinkstermarkt werd vroeger gedanst voor de fioel en wij zeggen: de kiener kwammen er an. De Zevenhuister taal heeft behalve dat zoetvloeiende nog een ander karakter. In dit andere opzicht kunnen wij haar niet als voorbeeld aanbevelen. Er komen n.l. vele platte en ruwe uitdrukkingen in voor. Wij willen het ontstaan daarvan maar op rekening stellen van de geringe ontwikkeling en de weinige beschaving, die vroeger te Zevenhuizen heerschte.Gelukkig begint dat ruwe wel iets te verdwijnen. Wanneer ik b.v. mededeel, dat de echte Zevenhuister nooit zal zeggen van hoofd, maar van kop, van bek in plaats van mond enz.,dan kan ieder de rest wel begrijpen. Natuurlijk hoort men hier ook lui in andere tongvallen spreken, dat doen zij, die later van buiten ingekomen zijn, van de Klei of uit Drente. Maar men schikt zich spoedig naar het Zevenhuister dialect. Ten slotte geven wij hier eene vertelling in de Zevenhuister taal: `Doe wij lest ut fen husersl harren, ben wij nog met n'anner nao Veenhusen west tepieselen2. Dao woonden ons bes en beppe3 van mems4 kaant. Heit5 wol graog, dat wij der es hen gingen. 't Was op n' Dunnerdag en wij warren nog al'n bietje bang veur zwaor weer; want 't was zoo waarm en er zatten dunnerkoppen an de lucht. Wij mossen over 't Eenerveld en harren docht, dat wij der veurtied nog wel over komen konnen, maor doe wij midden op't veld warren, begunde't al te dunneren. Wij warren liekemallennig6; want der ston maor een huus en dat was nog 'n hiel enne vot. 't Was ons slim genog; want 't zwaor weer was hiel rempen opkomen. Wij liepen hiel haard en doe kwammen we nog krekts veur 't begunde te reegen bij dat huus. 't Frommes9 dee ons de deur open en zee: `Wat kwammen jimlo daor haard anloopen!' Wij warren bliede, dat we binnen deur warren. 't Onweer liep beter af, als wij docht harren; maor wij hemmen er toch nog wel drie ketier schoelt. Ien Een he we nog 'n schofke zeten en doe vertelden ze ons, dat er ien Houlerwiek 'n huus opbraand was. De dunner was toe de schosstienll ienkomen, zeen ze. Alles was omtrent verbraand. Doe wij weer vot gingen, kwam de Scheper net tuus met de schaopen. Hij har't er stoer genog met had om ze bijnanner te hollen en dicht bij hom was de dunner nog iene grond slaogen. 't Was veul frisser worden nao 't zwaor weer. Hoe dichter wij bij Veenhusen kwammen, hoe meer 't regent har en dicht bij 't huus van beppe en bes mossen wij an 'd enkels toe deur de modder bagelen. Beppe har ons al ankomen zien, zij kwam ons iene muutl2 en zee: `Och, kiener, kiener, bin jim daor, wat hemmen min weer troffen, niet!'

 1 Gasten.
 2 Op visite.
 3 Grootvader en gootmoeder.
 4 Moeders.
 5 Vader.
 6 Geheel alleen.
 7 Onverwacht.
 8 Juist.
 9 Vrouwmensch.
10 Gij.
11 Schoorsteen.
12 Tegemoet.
 

10 Het Nieuwe Tijdvak
 
 
 

Een drietal eeuwen geleden lag er tusschen Leek, de hooge zandgronden van Drente en de tegenwoordig nog bestaande zandstuiving bij Haulerwijk een groot hoogveen, dat een goed deel des jaars niet was te passeeren. Het beschermde een groot deel van Drente voor een vijandelijken inval. Waar aan beide einden de bodem een beteren verkeersweg mogelijk maakte, had men schansen aangelegd, dat was de Wolferschans bij De Leek en de Zwarte of Zwartdijksterschans in de boven vermelde duinen. De eerste is sedert lang verdwenen; maar de laatste die vermoedelijk door Prins Maurits is aangelegd, is nog heden in vrij goeden staat. Op dit hoogveen, dat behoorde aan de heeren van Nienoort, werd reeds vroegtijdig turf gegraven. Wanneer evenwel meer bepaald dit veen `aan snee' kwam is niet met zekerheid te zeggen. In een oud porcesstuk vinden wij een twist vermeld tusschen de heeren van Nienoort en de boeren van Een, die bij de Zwarte schans turf kwamen graven en boekweit verbouwden, welke daden den heer van Nienoort aanleiding gaven om bij Heeren Gedeputeer- den van `Stadt en Lande' een sergeant en eene compagnie Guardes aan te vragen, aan welk verzoek werd voldaan met kennis van den `Gerichte van Vredewold', welke troep er op uitging onder den toenmaligen wedman Santee om den boeren van Een die dingen af te leeren. Bij deze gelegenheid was de passage over het veen zoo treurig, dat van wege den slechten toestand van den weg en de moerassige plaatsen, de door de boeren gegraven turf niet kon worden vervoerd naar De Leek en daarom maar in stukken werd gehakt en over het veld gestrooid terwijl de te veld staande boekweit werd vernield. Deze geschiedenis viel voor in 1746 op den lOden Augustus. En - in het boven aangehaalde proces wordt eveneens vermeld, dat eenige jaren voor 1792 de Gave op last van den heer van Nienoort was `opgeruit en geschoond ten behoeve van de turfschepen uit de venen van Zevenhuizen'. Derhalve was voor 1792 het veen reeds `aan snee'. Wij gaan nu met stilzwijgen het tijdvak voorbij, waarin Zevenhuizen worstelen moest om te zijn of niet te zijn, elders in hoofdstuk 2 is daarvan reeds het een en ander medegedeeld. De veenarbeider werd het slachtoffer van een verkeerd ontginningssysteem en half dorre, onbewerkte zandgrond was het loon, dat een leven van moeilijken arbeid verwierf. Had hij het goed zoo lang de campagne duurde, de inkomsten waren niet zoo groot, dat er van belang kon worden overgegaard, wat dan aan de verbetering van den bodem in 't bijzonder en aan de algeheele vooruitgang van de plaats in 't algemeen ten goede moest komen. Het is een feit, dat er overal en ten allen tijde mannen zijn geweest, die eene betere en diepere blik in de toekomst hadden dan hunnen medeburgers. Aan dergelijke mannen heeft het Zevenhuizen ook niet ontbroken. Bij de ouderen van jaren zijn nog zeer goed bekend de namen van Hendrik Hendriks Kuiper, Klaas Berends Hofstee en Lukas Stuut. Dit driemanschap heeft veel gedaan voor den vooruitgang van Ons Dorp. Hoe vaak hebben zij niet de ingezetenen van Zevenhuizen ter vergadering opgeroepen, uit den dommel gewekt en geadresseerd bij verschillende colleges! Ingezetenen van Zevenhuizen! Op de stille begraafplaats achter onze Hervormde kerk rusten zij. Den hoed af, als gij hunne grafsteden voorbij gaat! Zij hebben gestreden voor Ons Dorp! Het jonge geslacht weet dat nu zoo niet meer; maar het is hier de plaats om er aan te herinneren, dat hunne namen in eere dienen te worden gehouden. Met het leggen van den kunstweg in 1893 begint eigenlijk het Nieuwe tijdperk van de ontwikkeling van Zevenhuizen. Later werden nog nieuwe sluizen gebouwd en eenige oudeveenwijken uitgediept ten behoeve van den landbouw.  de resultaten van genoemde verbeteringen waren verrassend. De bodem rees in waarde en daarmede hield het verbeteren van den grond gelijken tred. Men mag aannemen, dat in de laatste jaren reeds de opbrengst verdubbeld is. Vooral legde men zich op de aardappelcultuur toe en bracht men gronden, die voor een lOtal jaren pas 200 H.L. per H.A. opbrachten, tot eene opbrengst van 350 H.L. en meer. Vooral het oprichten van eene Landbouwvereeniging heeft den bloei van Zevenhuizen ongemeen bevorderd. Deze machtige corporatie, waartoe allengs bijna alle groote en kleine landbouwers toetraden, heeft nieuwe middelen en wegen aangewezen, die Ons Dorp ten zegen zijn. En is ook niet de in dezen Zomer gebouwde cooperatieve boterfabriek te beschouwen a1s hare dochter? En zoo begint Ons Dorp aan meer en meer met eere eene plaats in te nemen in de rij der dorpen van onze provincie. De oude toestanden bestaan niet meer, het is alles nieuw geworden en op den voormaligen moerassigen veenbodem, vroeger een twistappel tusschen de heeren van Nienoort en de boeren van Een, werkt thans eene nijvere en – wij kunnen haast zeggen - welvarende landbouwbevolking.