Aantekeningen van Schoolmeester G.H. Buist 1828


 
 

1. Hoe is de naam van uw gemeente?
Zevenhuizen

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? hoe ver en in welke strekking liggenb de ze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gij, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelven en van de plaats uwer woning zelve?
Het bestaat uit Zeven buurtschappen, liggende de versten plm. twee uren van de kerk te Midwolde, waaronder zy behoorde zyn; daar des zomers voor de middag dienst gedaan wordt en des nademiddags op de Leek, en des winters altyd op de Leek.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk en hoe groot zijn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zijn er ook opschriften op uwe torenklokken? En zoo ja, hoe luiden die?
Eene kerkgebouw is hier niet, er zyn al een en andermaal pogingen aangewend om een kerk te krygen; maar tot dies verre vruchteloos gebleven.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelijke gemeente gevonden? en welke is dezelfde loop en uitwatering?
De afwatering is langs de Leek, hebbende de naam van Hoofddiep, zynde die diep door de gezamenlyke eigenaars van de Nienoord en Ter heyl gegraven om de Veenen te ontgronnen. Hier zyn wel veel opstrekkingen maar diepen of stroomen niet meer.

5. Welke meeren in de omtrek van het dorp uwer woning, hetzij nog aanwezig of droog gemalen?
Ten Zuiden regt voor het mandelig hoofddiep ligt het drooge meer, behoordende voor 35 jaren de westzyde aan de Nienoord en de oostzyde aan Ter Heyl, zynde door de beide eigenaars destyds met dinnen zaad bezaaid, die daar welig groeiden; doch is door W. de Lille als eigenaar van Ter Heyl voor plm. 28 jaren zyn aandeel verkocht, aan Jan Wolters, die daar door den van heeft bekomen Dinneborch; die heeft het van tyd tot tyd doen afkappen, en nu meest to bouwland gemaakt. En dat van de Nienoord is ook verkocht en de deeltelyk gekapt en in 1826 verbrand; zoo dat gemelde bosch nu bykans geheel vernietigd is. plm; 300 roeden groninger  maat zuidwaart ligt het modder meer, kort aan de schansgruppel, of landscheiding, alwaar Drenthe Vriesland en Groningerland tegen elkaar aanzwetten; dit meer is in 1825 voor het eerst droog geweest; maar houdt nu jaarlyks weder water.
Ten Zuidwesten van dit gemelde meer ligt de wase of wasemeer, plm. 400 roeden van daar; dit meer is nog nooit droog geweest; het strekt ten Zuidwesten nog iets in Vriesland
Ten Zuidwesten van het eerstgemelde drooge meer ligt op de afstand van plm. 250 roeden het lange meer, daar waschte men voor 20 jaren de Drentsche schapen, maar is nu zomers droog.
Ten Noordwesten van dit ligt op de afstand van plm. 300 roeden het Bolmeer, dit is groot, en heeft des zomers nog wel 3 a 4 voeten water, maar met verloop van de tyd, als het veen meer wordt ontgonnen , zal het ook geheel droog worden.

6. Welke gaten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zijn dezelve en welke is derzelve uitgestrektheid?
Gasten, wierden of heuvels vindt men hier niet, dan alleen eenige zandige hoogten, de meting der hoogte is gedaan door D. Scholma en Cor Reyntjes.

7. Welke bosschen zijn daar?
-

8. Welke zijn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurrijken?
Deze zijn
1e Delfstoffelykryk; Zand, leem, keisteen en de bovengrond meest veen.
2e Plantenryk, Rooge, Boekweit, Gerst, Haver, Aardappelen, Rapen of Knollen, vlas, Hennip en inzonderheid eiken, elzen, berken, wilgen.
3e Dierenryk, Paarden, Koeyen, Schapen, Zwynen, Hoenders, eenden enz. voorts nog vossen, Bunsems, Hazen, Patryzen, Kwartelen, Sneppen, maar Korhoenders en Otters zelden, Ook wordt de byenteelt door sommige ingezetenen uitgeoefend.- Visch heeft men in de binnenwateren, als Baas, Zeelt, Blei, Aal enz.

9.Welke is de grondgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerrspelk? Hooger en dieper?
De bovengrond Veen, dan het meeste Zand, ook oer, vervolgens leem, deze grond is zeer geschikt tot weideland; maar tot Bouwland zeer ongeschikt, om de reden dat er dadelyk wik op wast en zoo in menigte dat het zaad er geheel onder bedekt wordt.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?
Wat betreft de Kunsten en Wetenschappen, deze kan men niet zeggen , dat alhier byzonder wordt beoefend.

11. Welke Fabrijken, Trafijnkenof handwerken worden daarin bedreven?
Onder genoemde fabryken, trafyken , en handwerken kunnen hier worden gebracht, een Boekweitmaaldery, een Smedery, een wevery, Kuiper, Schoenmakery en drie Bakkeryen, een roggen Molenaar.

12.Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?
De luchtgesteldheid is hier door de hooge ligging zeer gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?
Hier zyn vier scholen, maar Leesgezelschappen vindt men hier niet, zoo dat hier geen lust tot lezen gevonden wordt.

14. welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?
De meeste menschen vinden hier hun bestaan door handenwerk in de veenderyen, ook landbouw en nering doende lieden.

15. Hoe is hunne platte taal?
Wat aangaat de platte taal; onzer inwoners, deze is zeer verschillend, doch meest Vriesch, onlangs vroeg ik aan een klein jongetje - eat maakt men van wol? en kreeg ten antwoord jein (garen)/ Toen ik hem vroeg, van waar krygt men de wol? Van schiepen was het antwoord.  Toen vroeg aan de andere kinderen, wat is jein en wat zyn schiepen? maar niemand wistte het, toen ik hen zeide, dat jein garen en Schiepen Schapen waren, begonnen de kinderen allen te lachen.

16. Welke is hun algemeen karakteren hunne levenswijze, welke zijn hunnen zeden en gewoonten?
Het alegemeen Karakter der ingezetenen alhier is innemend, doch tevens onopregt, zoodat dezelfe dikwyls spreken hetgeen zy niet meenen; ja zy zyn zoo gesteld, voornamelyk de vriezen, als men hen een vyf Stuiver geeft, dan willen zy wel een valsch eed doen. Betreffende hun levenswyze, deze is zeer verschillend, de een staat des morgens om 2 uur op, en voornamelyk onder de arbeidstand; en een tweede om vier of vyf uren en ook enigen zeer laat, zo ongelyk is het ook met het ontbyten, middag- en avondeten en naar bed gaan. Vermaken en uitspanningen zyn hier niet weinig, vooral onder de jongelieden, niet allen Paasch, Pinkster en Nieuwjaar; maar omtrent alle Zondags avonds en dat duurt tot aan de morgen, dit nog niet alleen, maar dan gaat het op een vloeken, schreeuwen, slagen en glazen in stukken slagen, ja het gebeurt menigmaal als ik des morgens naar school ga, dan zitten de kroegen nog vol.
Gebruiken bij het Trouwen valt hier niet veel byzonders voor, de kerkelyke inzegening wordt hier van zeer weinigen begeerd, ja velen gaat het als de hazen en de Vossen zy paren; - doch dit heeft alleen plaats onder de vriezen; met het doopen der kinderen is het even zoo gesteld, zo zy ze nog al doopen laten, dan wachten zy zoo lang, dat zy twee of drie kinderen hebben, en dan alle te gelyk maar velen in 't geheel niet. Zy komen zelden of nooit in de kerk, de Zondags is een slaapdag.
By de begrafenissen wordt hier gewoonlyk een maaltyd gedaan, welke meest bestaat uit wittebrood en bier.

17. Welke plaatselijke bijzonderheden zijn u nog bekand, die onder geene de vorige vragen kunnen beantwoord worden?
Van Spookverschyningen of bygelovigeheden hoort men hier niet veel meer dan alleen van een wilden Jager met honden, welke eenige zoude gezien hebben

Getekend G.H. Buist